Gepost op

Concertina, Hoofdstuk 1: Nabrander

(Chapter 1 of the novel Concertina by André Verkaik / Dit 1e hoofdstuk van de roman Concertina werd eerder gepubliceerd in de bundel Incidenten, verhalen uit de handhaving).

*This chapter was published here because many of my friends and contacts abroad expressed a desire to read my books. I am sorry to say that at present I do not have the means or the capability to translate my works into English. One friend suggested that I publish the Dutch text online in order for her to attempt to read some of it with the help of Google Translate. Although I dread the result of putting my story through Google Translate, here it is. And I will attempt to make a translation of this first chapter soon. André Verkaik.

Het vuur werd met zo’n kracht door de met verwrongen tralies bedekte vensters de donkere nacht in geperst dat de vlammen uit snijbranders leken te komen. Er kwam aan alle kanten rook uit het met grijze golfplaten bedekte gebouw, vooral onder de dakrand vandaan. Wollige grijze rookpluimen onttrokken het platte dak aan het zicht en gaven het complex een luguber kapsel. Daarboven werd de nachtelijke duisternis verdreven door een rode gloed. Plotseling schoot een fontein van vonken de lucht in die met de ijzige oktoberwind werden meegevoerd. Achter het brandende gebouw stonden brandweerwagens met loeiende sirenes en felle zwaailampen in een file voor de dubbele poorten. Daarachter bevond zich de hoge, met vlijmscherp prikkeldraad afgezette sluis die toegang gaf tot het terrein. Er stond een bluswagen in de sluis, maar de automatische buitenpoort sprong steeds weer open als deze bijna gesloten was, waardoor de tweede poort gesloten bleef en de bluswagens het terrein niet op konden. In de luwte van een andere vleugel van het cellencomplex stond een groep mannen bijeengedreven achter de met gaas afgezette hekken. Ze waren bijna allemaal halfnaakt en hadden dekens om zich heengeslagen om zich tegen de winterkou te beschermen. Weerloos en rillend stonden de gevangenen te wachten tot ze weggevoerd zouden worden van het detentiecentrum dat hen niet meer vasthouden kon.

 

Pas nadat Gershon Weening zijn dochters naar school had gebracht en het nieuws had aangezet in de nog koude woonkamer ontdekte hij het drama dat zich de nacht ervoor had afgespeeld in het uitzetcentrum Schiphol-Oost. Hij was met jas en schoenen aan voor de televisie neergeploft. Als gehypnotiseerd zag hij de dramatische beelden op de televisie zich steeds weer herhalen. Zappend tussen de zenders Nederland 1 en RTL 4 bleef hij kijken en luisteren om te weten of er nieuwe feiten bekend werden gemaakt. Het was negen uur ’s morgens en er werd nog steeds nageblust.

In de weerspiegeling van het tuinraam achter hem in de beeldbuis zag Gershon dwars door de beelden van brand en vernieling heen zijn eigen gezicht. Zijn stoppeltjeskapsel verborg wel het dunner worden van zijn haar, maar de contouren van zijn haarinplant verraadde toch de voortschrijdende kaalheid. De grote gebogen neus, een typisch Weening trekje, stond in zwaar contrast met de kleine spitse kin eronder. Hij wreef zijn slaapogen schoon en betastte meewarig de twee dagen oude stoppelbaard. Met moeite wist hij zich van de televisie los te rukken om, opgefrist en gekleed in een joggingbroek, snel de ontbijttafel af te ruimen en de afwas te doen. Daarna ving hij tussen een glas en een ansichtkaart de vliegen die zich tegen het keukenraam murw hadden gevlogen, om ze door het raam naar buiten te laten. Met één oog op de televisie gericht stofzuigde hij de woonkamer. Met zijn voeten op tafel en een pot koffie bij de hand bracht hij daarna de rest van de ochtend voor de buis door.

 

Gershon kende het cellencomplex op Schiphol-Oost. In september, een maand geleden, was hij door diezelfde sluis het terrein op gereden met een vrachtwagen vol maaltijden en andere voorraden die hij vanuit detentiecentrum Zeist daar moest afleveren. Ook toen had de poort een paar keer gehaperd voor hij het terrein op kon.

‘Hoe heeft dit kunnen gebeuren?’ vroeg een presentatrice voor de zoveelste keer aan een verslaggever. ‘Elf mensen zijn levend verbrand in deze vuurzee, ze hebben als ratten in de val opgesloten gezeten in hun containercellen. Het hadden er veel meer kunnen zijn. De oorzaak wordt nog onderzocht.’

Dit kan elke dag gebeuren, dacht Gershon getergd, ook bij ons. Detentiecentrum Zeist was veel groter dan uzc Schiphol en bestond voor het merendeel uit dezelfde prefab gebouwen die hij in brand zag staan. De constructie was simpel: twee rijen aan elkaar geregen stalen containers gescheiden door een brede gang met houten vloer en plat dak. De buitenkant netjes verpakt in grijze golfplaat met het vlijmscherpe concertina prikkeldraad er omheen. Zo kon je in Lego-stijl doorbouwen en zelfs stapelen. In exact zo’n complex van drie verdiepingen hoog zou die middag om drie uur zijn dienst aanvangen als wachtcommandant voor de tweede verdieping.

Om vijf voor twaalf stormde hij de deur uit om Nicole op te halen voor de lunchpauze.

‘Je bent laat Pappa,’ zei ze streng, toen hij haar als laatste in haar lokaal aantrof, ‘en je hebt bloed op je hals, jakkie.’

‘Ja, wat wil je, ik ben de hele ochtend door vampiers achterna gezeten en heb ze bijna allemaal verslagen. Lust je een broodje vampier?’

‘Iee, Pappa, doe normaal,’ schaterde ze en klom vakkundig in haar stoeltje achterop zijn fiets.

 

Om twee uur stapte Gershon in zijn aftandse zwarte Golf GTI. Hij wist van het journaal al dat een deel van de bewoners van uzc Schiphol midden in de nacht naar Zeist waren overgebracht. Dat ze bij hem op de afdeling terecht waren gekomen was een logische gevolgtrekking, ze hadden tenslotte sinds de zomer leeggestaan vanwege onderhoud, waardoor hij weken achtereen op allerlei plekken in Kamp Zeist had gewerkt. Hij brandde van nieuwsgierigheid om te weten te komen hoe het er nu op zijn vleugel uitzag. In de autospiegel zag hij de transformatie die een verzorgd uiterlijk boven de epauletten en stropdas van zijn uniform teweeg had gebracht. Het goudkleurige brilletje daargelaten zag hij er best wel uit als een wachtcommandant in een Huis van Bewaring, vond hij.

 

Zijn entree op de afdeling overtrof vele malen zijn verwachtingen: In de twee cellengangen die zich links en rechts van de Centrale Post uitstrekten zag hij heel veel armen uit de deurluikjes van de celdeuren steken. Deurluikjes zijn normaal altijd gesloten tenzij een bewaker iets met de celbewoners te bespreken heeft. Mannen schreeuwden uit hun cellen naar elkaar en naar de bewakers. Gershon hoorde mannen huilen achter celdeuren. Terwijl hij door de linkergang de afdeling betrad, schopte een gedetineerde uit een van de eerste cellen tegen de deur en brulde tegen hem:

‘You lock us up here so that you can burn us as well, you motherfuckers!’ Een bewaker liep naar de celdeur toe en sprak de man op een geruststellende en begripvolle wijze toe. Zo liep een vijftal bewakers van deur naar deur om de opgesloten asielzoekers te kalmeren of hun sigaret of shaggie aan te steken. Een meisje dat hij herkende als een van de medewerksters van de medische dienst liep met ze mee en deelde pilletjes uit alsof het snoepjes waren.

‘Waarom doen jullie die luikjes niet dicht?’ vroeg Gershon aan een van de bewakers in het voorbijgaan.

‘Dan raken ze helemáál in paniek. Het is kolere voor ons, maar ze hebben toestemming van het afdelingshoofd, dus de luikjes blijven open,’ riep deze gestrest terug en was al weer onderweg naar een volgende cel. Nogal aangedaan door de aan hem gerichte beschuldiging van de gedetineerde liep Gershon naar de Centrale Post. Teamleider Roberto kwam de post uit en bood Gershon een uitgestoken hand en trok hem naar binnen.

‘Welkom in het vagevuur, Weening. Een stuk minder heet dan de hel van gisteren, maar toch.’ Roberto was een lange man van achter in de veertig. Grijze stoppels bedekten altijd zijn schedel en nu ook zijn wangen. Hij had het uiterlijk van de ideale hopman bij de padvinders: een brede kaak, snor en vriendelijke bruine ogen onder dikke bruine wenkbrauwen. Nu was het zaak voor Gershon om zo veel mogelijk informatie uit hem te krijgen want over een half uur was hij verantwoordelijk voor de afdeling.

‘Ik ben gisteren om twaalf uur ’s nachts uit mijn bed gebeld en hier naartoe gekomen. Toen ze rond twee uur binnen werden gebracht kwam de rook er nog vanaf. We hebben een paar op de isolatieafdeling moeten zetten. Zeer emotioneel en agressief. Niet mee te praten.’

‘Wat wordt er van ons verwacht?’ vroeg Gershon.

‘We kunnen weinig met deze mensen. Specialisten van Justitie zouden vandaag komen om ze te helpen met de traumaverwerking. Het is nu drie uur en ze zijn nog steeds niet gekomen. De Pater houdt met kleine groepjes slachtoffers een gespreksuurtje in de kerkzaal. Ik zie er niet echt het nut van in. En het kost me een man die ik beter op de gang kan gebruiken.’

‘Het is juist heel belangrijk. Dat helpt bij de verwerking,’ wilde Gershon uitleggen.

‘Ik doe er niets meer mee. Laat Justitie het zelf maar oplossen.’

‘Maar Roberto, het is toch machtig interessant om te ontdekken hoe we met deze mensen om moeten gaan? Dat is ons met de bolletjesslikkers en de tbs’ers ook gelukt,’ zei Gershon met een enthousiaste blik in zijn ogen. Roberto keek hem met toegeknepen ogen en een wat meewarige gezichtsuitdrukking aan terwijl hij zijn hand over zijn grijze schedel streek.

‘Laat het los Gershon, je krijgt er alleen maar gedonder mee. Dat is onze taak helemaal niet. En je kunt er weinig mee aanvangen. De meesten spreken niet eens Engels. Een intakegesprek heeft dan helemaal geen zin. Is ook nergens voor nodig, de uitgeprocedeerde asielzoekers moeten gewoon zo snel mogelijk het land uit en de bolletjesslikker moeten hun veroordeling afwachten en hun straf uitzitten, die worden vanzelf een keer overgeplaatst.’

‘Zitter er ook drugstrafficanten tussen? Wat doen die in een uitzetcentrum?’

‘Geen idee, het zat allemaal door elkaar. O ja, er mag beslist niet meer dan twaalf man de gang op…’

‘Dus met luchten gaan er maar twaalf man naar buiten?’

‘Nee, luchten is per kant, dus vierentwintig per keer. Ze mogen absoluut geen vuur in de cel hebben. Als ze willen roken melden ze zich over de intercom en wij brengen ze een vuurtje. Geen aansteker afgeven, altijd door het luikje aansteken. Van sommigen weten we niet hoe ze heten. Dan staat er N.N. op het naamplaatje, voor ’No Name’, en het registratienummer uit het justitiesysteem. De Chinezen hebben vanaf Schiphol al voor veel gezeik gezorgd door elkaars namen te gebruiken. Er zijn trouwens ook een paar weggelopen bij de ontruiming op Schiphol, wist je dat? Hun namen kom je hier soms ook tegen maar dan blijkt het om een andere grapjas te gaan.’

‘Maar dan weten we helemaal niet wie we hier hebben zitten!’ bracht Gershon er verbaast uit. Roberto haalde zijn schouders op.

‘Erik weet ervan en zei dat het bekend was toen ze binnen kwamen.’ Door naar afdelingshoofd Erik Bakker te verwijzen was de zaak voor hem beslecht, Justitie had in alle beleidsvragen het laatste woord, wist Gershon.

‘En als ik om elf uur ga tellen?’

‘Dan tel je gewoon wat je hebt, ook de mannen die op de isolatieafdeling zitten natuurlijk.’

 

Iets na zessen, toen de dagploeg was vertrokken, werd Gershon op de portofoon opgeroepen.

‘Weening, Berend hier op de F-vleugel. Wil je effe naar cel F 10 komen?’

Gershon zag de bewaker bij de celdeur staan met zijn hand aan het luik. Het was een beer van een vent van achter in de twintig met een kale kop en een tatoeage in zijn nek. Gershon benijdde het natuurlijk overwicht dat Berend over gevangenen had door zijn postuur. Maar de enorme buik die strak in het overhemd over de brede leren broeksriem hing stelde hem toch weer tevreden met zijn eigen tengere figuur. Hij zou altijd sneller zijn dan iemand als Berend, of het nu was om te vechten of te vluchten. Toen Gershon bij de cel aankwam, sloot Berend het luikje om te voorkomen dat de mannen binnen konden meeluisteren.

‘Meneertje Ksímenes gaat uit zijn plaat. Hij wil per se naar een andere afdeling. Hij heeft bonje met zijn celgenoot, zegt hij. Ik heb hem uitgelegd dat alles vol zit. Maar hij accepteert het niet.’ Gershon keek op het naamplaatje naast de deur. Xímenez en Lusjenko waren de bewoners.

‘Waar gaat de ruzie over?’ vroeg hij.

‘Weet ik niet. Die ene is een Peruaan en hij spreekt weinig Engels. De ander komt uit de Oekraïne. Ksímenes zegt dat ze in het cellencomplex op Schiphol ook al ruzie hadden.’

Gershon keerde zich naar het luikje dat Berend nog steeds beschermend dicht hield en nu met enige tegenzin voor hem opende. Kennelijk waardeerde hij het niet dat zijn leidinggevende in discussie ging met zijn gevangene. Hij wilde gewoon bevestiging. Toen Gershons ogen gewend waren aan de donkere cel zag hij bij het licht van de televisie een Oost-Europees ogende man op het onderste bed liggen dat in de verste rechterhoek van de smalle ruimte stond. Met de handen achter het hoofd gevouwen keek de man Gershon met een grijns aan, de ogen dichtgeknepen tegen de rook van het shaggie dat tussen zijn lippen hing. Dat moest Lusjenko zijn, maar waar was die Peruaan?

Señor?’

Een klein licht getint mannetje met halflang zwart haar stond net onder het deurluikje omhoog te kijken.

Señor, I must go to other cel. I must go to other ward. This man is bad. If I stay it will be very bad.’ Gershon had hem in het Spaans kunnen antwoorden. Hij had in de jaren negentig een jaar in Zuid Amerika onderzoek gedaan en sprak het Spaans nog steeds goed. Maar dan wekte hij de verwachting dat hij iets voor deze man ging regelen, en sloot hij Lusjenko uit.

‘Er is geen plaats,’ begon hij in het Engels. Jiménez begon te huilen en sprong op en neer om dichter bij het luikje te komen. De ogen stonden wijd open en het speeksel vloog door de lucht terwijl hij schreeuwde:

O Dios mio, you no understand. We fight together in the fire. This man is bad. Put me in isolation. I can’t stay one night. Put me in isolation man, I tell you. This man is bad.’ Gershon keek langs de Peruaan terug naar Lusjenko. Die kwam grijnzend overeind en liep Jiménez vast in de hoek bij de celdeur. Hij legde zijn handen quasi vaderlijk op zijn schouder en hoofd.

‘Not to worry, warden,’ zei hij amicaal met een zware nicotinestem. ‘We will be alright, èh Miguèl?’ Xímenez probeerde zijn celgenoot van zich af te houden maar was geen partij voor de veel grotere Oekraïner. Het Quechua-indiaantje zakte snikkend naar de grond met zijn armen over zijn hoofd. Gershon had genoeg gezien.

‘Lusjenko, terug op je bed, nu! Of het wordt isolatie. Xímenez, pak je spullen en je beddengoed en wacht hier bij de deur.’ Lusjenko keerde mokkend terug naar zijn bed. De Peruaan bleef snikkend op de grond zitten.

Xímenez, toma sus cosas y las sábanas y espera a la puerta.’ De man sprong overeind met een blik van verrukking op zijn gezicht. Onder een niet aflatende regen van grácias en allerlei zegenwensen pakte hij zijn spullen en lakens.

‘Berend, blijf ze observeren, ik ga op zoek naar een geschikte cel op de andere vleugel.’ Berend keek hem met een mix van verbazing en minachting aan en liet het luikje met een klap dichtvallen.

‘Je gaat toch niet toegeven hè? Straks willen ze allemaal naar een andere cel! En je moet toestemming hebben van een afdelingshoofd.’ Hij liep rood aan. Gershon voelde de spanning in zijn buik oplopen. Het was nooit handig om anders te besluiten dan het personeel op de gang, dat wist hij, maar deze situatie vroeg om direct optreden, dat was hem ook duidelijk.

‘Die man is in doodsangst en daar moet ik wat mee. Lusjenko intimideert hem waar ik bij sta. Dit is een onhoudbare situatie.’

‘Nou, ik weet niet wat voor wachtcommandant jij bent, ouwe,’ snauwde Berend, ’maar je bent wel erg makkelijk over te halen.’

‘Deze man is getraumatiseerd…’

‘Ze zijn allemaal getraumatiseerd! Ze willen gewoon hun zin doordrijven!’

Deze man ga ik niet overtuigen, dacht Gershon. En deels heeft hij wel gelijk. Maar ik laat die Peruaan niet aan zijn lot over.

‘Meneer Xímenez gaat naar de andere kant. Blijf hen observeren. Bulent komt zo met de sleutel en dan kunnen jullie hem tijdelijk in de gespreksruimte opsluiten.’ Hij draaide zich om en liep terug naar de Centrale Post. Bijna het hele volgende uur was hij bezig om zijn beslissing te verdedigen en uit te werken, eerst over de telefoon tegen het laatste nog aanwezige afdelingshoofd en daarna in de diverse rapportages.

‘Als jij dat nodig vindt, geen enkel probleem. Maar maak er geen stoelendans van,’ was het laconieke commentaar van afdelingshoofd Kees uit gebouw 6 geweest. Daarna begeleide hij de verhuizing van Xímenes naar een cel op de andere vleugel, bij een rustige medebewoner.

 

Gershon was moe na de botsing met Berend. Hij had het even gehad op de afdeling en greep de kans om een kijkje te nemen op de iso-afdeling. Vanuit zijn afdeling was het slechts een kleine wandeling naar de centrale hal en de trap af naar de eerste verdieping. De strafcellen zaten allemaal vol. Er klonk een dof gebonk achterin de afgesloten gang. De twee bewakers zaten gespannen te roken in het kantoortje bij de ingang.

‘Er zit op cel 6 een totaal doorgedraaide gedetineerde, Happy heet hij,’ vertelde Dennis, de meest ervarene van de twee. ’Zo te zien is het een Afrikaan maar er is helemaal niets over hem bekend. ´No Name´ Happy heeft geweigerd het scheurpak aan te trekken en loopt naakt rond in zijn cel. Kijk, daar zie je hem op de monitor.’ Gershon zag de gespierde neger in de hoek van de cel bij de deur. Met kracht bonkte hij met zijn voorhoofd en handen tegelijk tegen de stalen celdeur. Het deed Gershon denken aan de mythologische Minotaurus uit het doolhof op Kreta toen hij hem zo bezig zag.

‘Laten we maar eens gaan kijken,’ zei hij en stond op.

‘Bereid je maar voor, Gershon, het is een beestenboel. Happy heeft zijn ontlasting overal langs de muren gesmeerd. Hij zit zelf ook onder de stront.’ Halverwege de gang kwam de stank hen tegemoet. Zodra het luikje open ging kreeg Gershon een weeïg gevoel in zijn maag. Happy stopte even met bonken maar hervatte al snel zijn lawaai door met volle kracht met handen, voeten en hoofd tegen de celdeur te keer te gaan.

‘Mr. Happy, calm down. Come here, let’s talk.’ Wat hij ook probeerde, hij kreeg geen contact met de bebaarde wildeman. Gershon belde met zijn afdelingshoofd. Erik Bakker zat thuis maar had oproepdienst.

‘Probeer de man te kalmeren. Als dat niet lukt, bel je mij weer,’ zei Erik toen hij het verhaal had aangehoord.

‘Dat heb ik de afgelopen twintig minuten geprobeerd Erik. Soms denk ik dat ik contact met hem heb. Dan kijkt hij me aan. Maar dan duikt hij plotseling weer met zijn kop tegen de deur of schreeuwt wartaal uit.’

‘Verwondt hij zichzelf?’

‘Niet meer dan schrammen en builen zover ik kan zien. Maar het lawaai klinkt door de hele iso-gang. De andere bewoners vragen constant over de intercom wanneer het stopt, ze worden nerveus.’

‘Kijk het nog even aan en als hij na een uur niet rustig wordt, wil ik dat je mij belt.’

Gershon keerde terug naar zijn afdeling maar werd in het volgende uur nog tweemaal door de gestreste iso-bewakers opgeroepen voor assistentie. Vol walging ging hij heen en weer. Als het luikje open ging, zag hij de stront langs de randen en op het raampje hangen en kwam de penetrante geur hem tegemoet. Er moest iets gebeuren, want de andere iso-cel bewoners raakten in paniek. Een man die de hele tijd in zijn cel in het Engels luid Bijbelverzen had geciteerd twee deuren verder was nu aan het schreeuwen: ‘Stop the fucking noise!’ De overbuurman van Happy, een magere Iraniër van achterin de twintig, hing met zijn arm door het deurluikje en schreeuwde: ‘He is crazy, he is going to put his cel on fire. My God, he will kill us all!’

Gershon probeerde hem te kalmeren en wilde zijn deurluikje sluiten maar daar raakte de man totaal van in paniek. ‘I have permission,’ hielt hij huilend vol en de iso-bewakers beaamden dat. Het onderhandelen ging nu tussen het angstige hoopje ellende aan de ene en de stinkende wilde aan de andere zijde van de gang. Plotseling keek Happy Gershon aan met een woeste blik alsof hij hem aan het inschatten was. Dat gaf Gershon weer een sprankje hoop dat hij hem had bereikt. Maar toen hij hem weer aansprak begon Happy plotseling uit volle borst te brullen als een leeuw. In zijn ogen was geen enkele rede meer te ontdekken. Als hij gromde zag Gerson ontlasting tussen zijn tanden. Wat heeft het voor zin om redelijk te praten tegen iemand die de rede totaal kwijt is, dacht hij. Er was geen sprankje menselijkheid meer in hem. Toen het uur om was belde hij weer met het afdelingshoofd.

‘Plak dan maar met tape een matras tegen de deur om het lawaai te dempen. Ik wil wel dat jullie hem op de camera’s in de gaten houden en me bellen als hij zichzelf verwondt.’

 

Terug op de afdeling wilde Gershon een vermoeden checken; de naam Happy zowel als die van de Iraniër, Mehmood, had hij eerder gezien bij de telling van vijf uur. De ene naam stond op de kaartindex bij een cel op de E-vleugel, de ander op F. Maar in beide cellen zaten al twee bewoners. De naam Mehmood kwam vaker voor, maar het was zeer onwaarschijnlijk dat er twee Happy’s waren. Toen hij het op de naamlabels bij de celdeuren controleerde bleken ook de registratienummers overeen te komen. Tot aan het einde van zijn dienst bleef Gershon tobben over de vraag wie de onbekende gevangenen waren, de twee in de iso-gang of hun naamgenoten op de afdeling. Bij de aflossing om elf uur zat hij er nog steeds mee in zijn maag en hij legde het aan zijn collega Martijn voor.

‘Ach, daar moet je niet zo moeilijk over doen. Het is gewoon chaotisch verlopen gisternacht,’ zei deze.

‘Maar je weet dat het hier een doodzonde is als je telling niet klopt.’

‘Als Roberto gezegd heeft dat Bakker er van weet, zou ik me er verder geen zorgen over maken.’ Zijn collega maakte zich zelden ergens zorgen over. Zijn gezette lichaam straalde altijd gemoedelijkheid en rust uit. Zo zat Gershon niet in elkaar. Hij wilde achteraf niet verantwoordelijk gehouden worden voor de chaos die de brand op Schiphol binnen hun inrichting had gebracht. Aan de andere kant wilde hij zijn eigen afdelingshoofd ook niet in verlegenheid brengen door de onbekende identiteit van twee bewoners op zijn afdeling wereldkundig te maken. Daarom stuurde hij een mailtje aan alle afdelingshoofden van het gebouw om aan te geven dat gedetineerden van naam en van cel wisselden en dat dit in combinatie met het onbekende aantal gedetineerden dat ontsnapt was, onzekerheid teweeg bracht over de identiteit van de bewoners van de bovenste verdieping. In een apart mailtje aan Erik Bakker deed hij het probleem uit de doeken over de twee dubbele namen die hij gevonden had. Nog even twijfelde hij of het wel verstandig was om dit aan te kaarten. Het kon wat betweterig overkomen. Uiteindelijk drukte hij op ‘verzenden’. Zo was hij ingedekt, redeneerde hij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.