Gepost op

Privacyverklaring AYBS-webcontent

Inleiding

In deze privacyverklaring wordt uitgelegd hoe tekstbureau AYBS-webcontent (AYBS) en haar scriptie correctie bureau www.thesis-correction-service.org en de literaire website en webshop www.datrodespul.nl omgaan met de persoonsgegevens van haar klanten, hoe dezen daar inzage in kunnen krijgen of er bezwaar tegen kunnen maken, en wat wordt gedaan in geval van het ontstaan van een datalek.

Contactgegevens:

AYBS-webcontent is een tekstbureau, eigendom van André Verkaik (eenmanszaak) met KvK nummer  57382360.

Hoe Persoonsgegevens worden verzameld

AYBS legt enkel de gegevens vast die voortkomen uit de aanvragen van tekst-of correctieopdrachten door klanten, hetzij telefonisch, per mail of via het contactformulier op de website. Voor 25 mei 2018 was het aanvragen van een tekstverwerkingsopdracht met AYBS een impliciete toestemming om persoonsgegevens, nodig voor de verwerking daarvan, op te slaat en te gebruiken. Met ingang van de Algemene Verordening Persoonsgegevens (AVG / GDPR in Engels) op 25 mei 2018 zal aan elke klant expliciet om toestemming gevraagd worden om persoonsgegevens op te mogen slaan en te verwerken, enkel  voor het uitvoeren van een opdracht en voor boekhoudkundige verslaglegging (belastingaangifte).

Welke gegevens verwerkt  AYBS?

De persoonsgegevens welke AYBS van haar klanten verwerkt zijn hoofdzakelijk:

  • naam,
  • email adres
  • telefoonnummer
  • bankrekeningnummer

Doel van het vastleggen en gebruiken van deze persoonsgegevens is het uitvoeren van de aangevraagde opdracht. Juridische grondslag daarvoor zijn de toestemming van de klant en de noodzaak om tot uitvoering van een aangevraagde opdracht over te kunnen gaan.

Deze gegevens worden vastgelegd in het AYBS Verwerkingsregister Persoonsgegevens voor een periode van twee jaar sinds de laatste opdracht. Daarna wordt alleen het email adres bewaard ten behoeve van een mogelijke promotionele mailing op een latere datum. Het AYBS Verwerkingsregister bevindt zich op een beveiligde externe gegevensdrager op het kantoor van AYBS. Een data hack is daarmee grotendeels uitgesloten. In het geval van verlies of diefstal van de gegevensdrager gaat het Datalek Protocol in werking.

Documenten welke de klant verstrekt voor het uitvoeren van tekstverwerkende opdrachten worden drie maanden na afronding van de opdracht verwijderd uit de persoonlijke bestandsmap van de klant.

Facturen welke worden verstrekt ten behoeve van betaling voor geboden diensten worden opgeslagen in de bedrijfsadministratie van AYBS voor de belastingaangifte (OZB en IZB) en worden volgens de wettelijke regelgeving zeven jaar bewaard.

Derden

Wie kan deze gegevens inzien? Documenten worden enkel door de editor / corrector gezien en bewerkt voor het uitvoeren van een aangevraagde opdracht. Alle andere gegevens worden door AYBS verwerkt en daarbuiten alleen door bureau ABC te Huizen gezien, welke voor AYBS de inkomensbelasting aangifte uitvoert. Met bureau ABC is een bewerkingsovereenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat dit administratiekantoor de gegevens enkel verwerkt voor het indienen van de jaarlijkse aangifte Inkomensbelasting en de gegevens nooit met derden, anders dan de Belastingdienst, deelt.

Inzage, rectificatie, verwijdering en bezwaar

De klant heeft ten allen tijden het recht om inzage te krijgen in de persoonsgegevens welke AYBS heeft opgeslagen. Deze gegevens zullen op verzoek binnen twee werkdagen per mail verstrekt worden. Indien er onjuiste of verouderde gegevens bij zijn, waarderen wij het als de klant deze rectificeert. De klant kan een verzoek indienen om alle persoonsgegevens en documenten direct te laten verwijderen, met uitzondering van facturen. De klant kan voor het aanbieden van een opdracht bezwaar maken tegen het vastleggen van persoonsgegevens, maar heft daarmee ook de mogelijkheid op voor het aangaan van een overeenkomst, aangezien de persoonsgegevens: naam, email en bankrekeningnummer essentieel zijn voor de uitvoering van een opdracht.

Datalek protocol

In het geval van verlies of diefstal van de database met persoonsgegevens van klanten is een protocol opgesteld. Hiervoor is een register “persoonsgegevens in geval van een datalek” opgesteld welke enkel de naam en het e-mailadres van klanten bevat. Indien zich een datalek voordoet zal de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd. Ook zullen de klanten van AYBS daarover zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd. AYBS zal de betrokkenen blijven informeren over het vervolg en de afronding van zo’n incident.

Gepost op

Recensie NBD biblion van de roman Concertina

De roman is namens de uitgever, Calbona te Rotterdam, aangeboden aan NBD Biblion, de Centrale Bibliotheek Nederland. Deze heeft een recensent gevraagd een recensie te schrijven welke als aanschafinformatie is aangeboden aan de openbare bibliotheken. 25 bibliotheken hebben een order geplaatst om de roman Concertina in hun verzameling op te nemen. Daar zijn we natuurlijk blij mee.

 

Recensie:

Een gefictionaliseerd verslag van wat er gebeurde in Kamp Zeist, nadat daar de overlevenden van de brand in het cellencomplex op Schiphol waren overgebracht. Gershon Weening is er op dat moment wachtcommandant en gedreven om zijn werk zo goed mogelijk te doen. Maar zijn afdelingshoofd Erik Bakker gedraagt zich als een slavendrijver die een persoonlijke vete met hem wil uitvechten. Bakker vindt het onverdraaglijk als Weenig zijn werk goed doet en bedenkt steeds nieuwe voorschriften en regels om hem dwars te zitten. Intussen heeft Bakker geen enkel medeleven met de zwaar getraumatiseerde, uitgeprocedeerde asielzoeker en werkt mee aan versnelde uitzetting. Ontslag nemen is uiteindelijk de enige oplossing voor Weening. Het is een boeiend verhaal dat een goede inkijk geeft in de gang van zaken in een detentiecentrum en in hoe er in Nederland met ongewenste personen wordt omgegaan, maar ook de manier waarop deze mensen zich in detentie gedragen. De inleiding door de schrijver is overbodig en het boek had gezien de taalfouten een betere redactie verdiend. De auteur publiceerde eerder ‘Dat Rode Spul’.

Recensent: G.P. Schuring

NBD Biblion

Afd. Redactie Media Aanbod

 

Gepost op

English translation Concertina chapter 1

Afterburner

 

Fire cel complex airport Amsterdam 2005

Fire was pressed through windows with mangled bars with such force into the night that the flames appeared to originate from cutting torches. The grey building, covered with corrugated sheets, was emitting smoke on all sides, mostly though from under the eaves.

The flat roof of the structure was completely hidden from view by a woolly grey hairdo of smoke plumes. Above it the nightly darkness was driven back by a red glow. Suddenly a fountain of sparks exploded into the air where they were swiftly carried away by the icy October wind.

At the back of the burning building, fire trucks with wailing sirens and flashing beacons on their roofs could be seen lined up in front of the sluice gate that gave entrance to the facility. The sluice gate, a high steel wire structure that connected an outer and inner gate, was topped on all sides with razor-sharp barbwire. A fire brigade truck could be seen standing in the sluice, but the automatic outer gate kept re-opening every time it was about to completely shut. Because of this, the inner gate stayed closed, which prevented all the fire fighting vehicles from reaching the fire.

Victims of fire cell complex

In lee of another wing of the cell complex stood a group of men, hemmed in by fences. Most of them were half naked and had blankets wrapped around themselves in protection against the winter cold. Defenseless and visibly trembling, the detainees were left there, waiting to be transported away from the prison that could no longer detain them.

Gershon Weening only discovered the drama that had taken place at the detention centre at Schiphol Airport Amsterdam the night before when he returned from bringing his daughters to school the next morning. He was confronted by the dreadful scene when he switched on the news in his still dark and cold living room. Coat and shoes still on, he plumped down in front of the TV. In a trance he saw the images of the fiery incident repeat themselves over and over again. Zapping between the two Dutch news channels he kept looking and listening, eager to know if any new information was made available. It was nine o’clock in the morning and the firemen where still damping down the area.

In the reflection of the garden door windows unto the TV screen behind him Gershon saw his own face amidst the images of fire and destruction. Although his crew cut did conceal the thinning of his hair, nevertheless the contours of his hair implant betrayed an increasing baldness. His large crooked nose, a typical trait of the Weenings, stood in stark contrast to the pointed chin below it. He wiped out his still sleepy eyes with the back of his hands and then wearily plucked his two days old stubble beard. Only by a great effort of willpower was he able to disengage himself from the TV-screen. After freshing-up in the bathroom on the first floor he dressed himself in comfortable sweatpants and proceeded to the kitchen to clean up the breakfast table and do the dishes. Armed with a glass and a postcard he then one by one caught the flies that had ended up half unconscious against the kitchen window, freeing them through the opened window. With an eye always on the television he vacuumed the living. The rest of the morning was spent on the couch with his feet on the table and a pot of coffee nearby.

Gershon knew the cell complex at Schiphol-East. Only a month earlier, in September, he had been asked to drive a truck full of meals and other supplies from another detention centre, located in Zeist, to this facility and had entered through that same sluice gate. Then also the outer gate had refused to close several times before he was able to enter the terrain.

“How could this happen?” The news presenter in the studio asked. The reporter on location, standing there shivering in front of the camera, reiterated the same answer as before. “Eleven people have been burned alive in that blaze, like rats in a fall, locked up in their container cells. There could have been many more fatalities. The cause of this fire is still being investigated.”

This could happen any day, Gershon thought, even at our facility. That realisation tormented him. Detention centre Zeist was a much larger compound than the one at the Amsterdam airport. It consisted for the larger part of the same prefab buildings as the ones on the screen. The construction was simple: two rows of steel containers strung together, separated by a broad corridor of wooden planked floor and flat tin roof. The outer walls nicely packed in grey corrugated sheets with an adornment of razor-sharp Concertina barbwire around the top. This construction concept allowed for endless Lego-style extensions, horizontally, as well as stacked up in the air. In exactly such a three stories high building he would start his shift as head-warden that afternoon at three.

Five minutes before twelve Gershon stormed out of the door to school to pick up his youngest daughter Nicole for the lunchbreak.

“You are late papa,” she said with a stern look on her face when he took her from the classroom, the last one left waiting. “And you have blood on your throat, grose!”

“Well, what do you expect, I have been chased by vampires all morning! And I have defeated most of them. How about a vampire sandwich?”

“Disgusting, papa, yucky,” she cheered as she climbed up against the back of his bike towards her seat with the routine of a skilled mountaineer.

At two p.m. Gershon stepped into his dilapidated black VW Golf GTI and roared towards work. He knew from the news that a segment of the inhabitants of the Schiphol airport detention centre had been moved to Zeist that night. That he would find them on his ward was a logical inference, since they had been empty due to maintenance since last summer. For many weeks he had been working on other units all over camp Zeist because of that. He couldn’t wait to see what the situation at his ward was since last night. In the car mirror he observed how a well-groomed appearance and uniform had changed his outlook. Apart  from his gold lined spectacles he could very well pass for a prison warden in a house of detention, he thought.

His entrance into the department surpassed his expectations many times over. Looking into the two corridors that extended to left and right of the central command post he saw many arms stretching out of the cell door hatches. Door hatches are normally closed unless a warden had something to discuss with the occupants of a cell. Men were screaming out from their cells to each other and to the wardens. Gershon heard men crying behind those doors. As he entered the department from the left ward door, a detainee kicked against his cell door and, peering through the door hatch, shouted to him:

“You lock us up here so that you can burn us as well, you motherfuckers!”

One of the wardens on duty hastily proceeded to the door and instead of reprimanding him, addressed the angry inmate in a comforting and understanding manner. Five wardens went from door to door like this, doing their best to calm down the locked up asylum seekers and lighting their cigarettes through the hatches. A girl that he recognized as one of the nurses from the medical unit followed them around and handed out tranquilizing pills as if they were sweets.

“Why don’t you close those hatches?” Gershon asked a warden in passing.

“Then they completely freak out. It sucks for us but they have permission from the department head, so the hatches stay open,” he called back as he sped away toward the next cell. Still shocked by the accusation the inmate had directed towards him, Gershon walked on toward the central command post door. Team leader Roberto came out through the door, offered him a hand and pulled him inside.

“Welcome in purgatory, Weening. A lot less hot than last night’s hell, but still.” Roberto was a tall man in his late forties. Grey stubbles always covered his skull, and now also his cheeks. He had the appearance of the ideal scoutmaster: a strong jaw, bushy moustache and friendly brown eyes under thick eyebrows. Gershon made it a point to get as much information out of him as possible, as he would be taking over responsibility for this madhouse in half an hour.

“I was called from my bed last night at twelve o’clock and sped over here. When they brought these guys in at about two, the smoke from the fire was still coming from their clothes. Some we had to put in isolation cells. Very emotional and aggressive they were. Couldn’t talk to them.”

“So what is expected of us?” Gershon asked.

“We can do very little for these poor souls. Specialists from the Justice Department were supposed to come and help them to process the traumatic experiences they went through. It is now three o’clock and I haven’t seen them yet. The chaplain has been holding small group meetings with some of the inmates in the chapel. I don’t see the use of it. And to facilitate it, costs me a warden that I badly need on the ward.”

“But this is of great importance, it helps them with the emotional processing..,” Gershon wanted to explain.

“I don’t touch that. Let the Justice Department take care of it.”

“But Roberto, don’t you see how fascinating it is to discover how we need to deal with these people? We learned how to handle drug couriers, and even convicts held under hospital orders,” Gershon uttered with passion in his eyes. Roberto looked down on him with eyes pinched and a weary look on his face while he stroked his head with his hand.

“Let it go, Gershon, in the end it only brings us trouble. It is not our business. There is very little we can do. Most of them don’t even speak English. A simple thing as taking an intake interview makes no sense. And is of no use either. The majority are turned-down asylum seekers, they need to be deported as soon as possible. And the drugs traffickers among them need to sit out their sentence, they will be replaced to another facility sooner or later.”

“So there are convicted drugs traffickers in the group? What were they doing amongst the asylum seekers, these are no criminals?”

“I haven’t got the faintest idea, they came in as a mixed group. Now, mind this, absolutely no more than twelve men are allowed out on the ward at a time.”

“So no more than twelve go out on the yard either?”

No, outside recreation is done by side, so twenty-four at a time. It’s prohibited to have lighters in their cells. When they want to smoke, they place a request via the intercom and we give them a light. Don’t hand out the lighter, always light the cigarette through the door hatch. Of some of these guys we don’t know their names. You’ll see N.N. on the card, which stands for no name, and a Justice registration number. The Chinese have been fooling us since the airport by mixing up their names. As a matter of fact, some have escaped, did you know that? You may encounter their names here but then it turns out to be another joker.”

“But then we have no idea who we have on the ward?” Gershon panted out. Roberto just shrugged his shoulders.

“Erik knows about it, he says it was known when they came in.” By referring to department head Erik Bakker, Roberto indicated that the case was settled for him. Gershon knew that in policy questions, ministry of Justice management always had the final say.

“So when I do the final head count at eleven?”

“Then you just count what you have. O, and don’t forget to count the ones in the isolation ward of course.”

 

Shortly after six, when the dayshift had already left, Gershon received a call on his portophone.

“Weening. Berend here on the F-wing. Can you hop over to cell F10?”

Gershon saw the warden standing at the cell door, hand on the open door hatch. Berend was a bear of a man, bald head and a tattoo in his neck, aged end twentyish. Gershon envied the man’s natural prevalence over the detainees by his posture. But looking at the huge belly that weighed into his shirt, hanging over the broad uniform belt made him feel quite content with his on frailer composure. He would always be faster than a man like Berend, whether it was to fight or to flee. When he arrived at the cell, Berend closed the hatch to prevent those inside from listening in.

“Mister Ksímmenes here is freaking out. He insists on being transferred to another ward. Says he’s in a brawl with his cellmate. I told him we’re filled up but he won’t accept it..” Gershon looked at the nameplates next to the door. Ximénes and Lusjenko were the inhabitants.

“What is the quarrel about?”

“Don’t know. This one is a Peruvian and he barely speaks English. The other guy is from Ukraine. Ksímmenes says they already had a dispute at the cell complex at the airport.”

Gershon turned to the door hatch which Berend was still holding closed protectively and then opened reluctantly. He obviously didn’t appreciate his supervisor going into discussion with the inmates, he just wanted endorsement. When Gershons eyes had adapted to the darkness in the cell he saw a man with Eastern European appearance by the light of the TV, lying on the lower bunk in the far right corner of the narrow room. Hands folded comfortably behind his head the man looked at him with a grim, eyes pinched against the smoke that came from stub that was dangling between his lips. That had to be Lusjenko. So where was the Peruvian?

Señor?’

A small, light skinned man with half long black hair stood just below the door hatch, looking up in desperation.

“Señor, I must go to other cell. I must go to other ward. This man is bad. If I stay it will be very bad.” Gershon could have answered him in Spanish as he had spent time in Latin America doing research in the nineties. But in order not to give him the impression that he would be on his side and shut Lusjenko out, he started in English.

”There is no place for cell mutations.” Ximénes started to cry and jumped up to get closer to the hatch window. Eyes wide open and spittle flying out of his mouth, he shouted,

O Dios mio, you no understand. We fight together in the fire. This man is bad. Put me in isolation. I can’t stay one night. Put me in isolation man, I tell you. This man is bad.”

Gershon looked passed the man to Lusjenko, who came out of his bunk and towards the door, grinning, and cornered Ximénes in the angle of the cell door and the wall. Quasi-paternally he put his big hands on the Peruvians head and shoulder.

Not to worry, warden,”he said amicably with a dark smokers baritone. “We will be alright, èh Miguèl? Ximénes tried to free himself but was no match against the tall Ukrainian. The little Quechua Indian sank to the floor, sobbing, hands held over his head. Gershon had seen enough.

“Lusjenko, back on your bunk, now! Or it will be isolation for you. Ximénes, get your stuff and bedding and wait here at the door.” Lusjenko returned to his bed, mocking incomprehensibly. The Peruvian remained on the floor, a small heap of misery.

Ximénez, toma sus cosas y las sábanas y espera a la puerta.“ The man jumped up, elated. Under an unabated stream of muchas gracias and all kinds of blessings in Spanish he started to pack his belongings into his sheets. Gershon turned to his warden.

“Berend, keep observing them, I will look for an available cell on the other ward.” The man looked at him with a mix of unbelief and contempt and dropped the door hatch with a bang.

“You are not going to give in, are you? Soon they will all want to jump cells! And you need permission from a department head for that.” His face was turning red with excitement. Gershon felt an increasing tension in his stomach. It was never wise to reverse a decision taken by his personnel on the ward, that he knew very well, but this incident asked for immediate action, that also was clear.

“This man is in mortal agony and I need to act on that. Lusjenko intimidates him in my presence. The situation is untenable.”

“Well, I don’t know what kind of head-warden you are, grandpa, but you are very easy to persuade, to say the least.”

“The Peruvian is traumatised..”

“They are all traumatised! They are just using you to get their way, don’t you see?” I’m not going to convince this guy, Gershon thought. And in part the man is right. But I’m not leaving the Peruvian there.

“Mister Ximénes is going to the other ward,” he said as calm as he could. “Keep observing them. Your colleague Bulent will be here shortly with the keys and you will lock Ximénes up in the conversation room until I have a cell ready. Stay at the door until I do.” He turned around and walked back to the central post. First he got on the phone with the last department head that was still somewhere on the premises of Camp Zeist.

“If you think that is necessary, by all means. But make sure to motivate your decision well, nobody wants a chairs dance in the camp, you know,” was the short and simple answer he got after his lengthy explanation.

Most of the next hour Gershon was busy defending his decision and working it out in the compulsory forms, mails and reports. Then he supervised the transfer of Ximénes to a new cell with what he expected to be a more easy-going cellmate.

 

Gershon felt tiered after his clash with Berend. When it was all done, he looked for an opportunity to get out of the department and decided to see how things where at the isolation ward. The daily report he had been working in had already shown him that all twelve penal cells where occupied. It was only a short walk from his department to the central hall and down the stairs to the first floor. He rang the bell to be let in. A repetitive thud could be heard at the end of the ward when he walked to the team quarters. The two Iso-wardens sat there, smoking cigarettes, a tense look on their faces.

“Cell six holds a completely flipped inmate, he’s called Happy,” Dennis, a young blond fellow, but the more experienced of the two, told him. “Looks like he is of African origin, but that is just a guess, nothing is sure about the man, not even his name. ‘No name’ Happy has refused to put on his tear suit, there, you can see him walk around naked on monitor 2.” Gershon saw the muscular black man in the corner of his cell at the door. With force he was slamming both  hands and his forehead against the steal door, again and again. Looking at him, it made Gershon think of the mythological Minotaur from the ancient Cretan labyrinth.

“Let’s go and have a look, then,” he said as he got up from his chair.

“Prepare yourself for the worst, Gershon, it’s a caboodle over there. Happy as been smearing his dung all over the wall. He’s covered with it.” Halfway up the corridor the stench enveloped them. When Dennis opened the door hatch, Gershon’s stomach almost turned outward. Happy stopped his banging for a moment but then resumed his jumping at the cell door with hands and head with the full weight of his brawny torso.

“Mr. Happy, calm down. Come over here, let’s talk.”   No matter what Gershon tried, he could not get in contact with the bearded wild man. He called his department head by cellphone. Erik Bakker was at home but was on-call, as there was no department head on duty on the Camp grounds anymore.

“Try to calm him down. If that doesn’t work, call me back,” Erik said when he had heard the report.

“That’s what I’ve been trying the last twenty minutes Erik. Sometimes I think I am getting to him but then he goes at it again with his head against the door and fuming gibberish.”

“Is he injuring himself?”

“Not more than scratches and bumps as far as I can see. But the sound drills down the ward. The other Iso-inmates are continuously on the intercom and asking when it stops. They are getting nervous.”

“Let’s see what happens in the next hour and if he doesn’t quiet down, I want you to call me back.”

Gershon returned to his department but was asked back twice in the next hour for assistance by the two stressed Iso-wardens. Totally loathing it he kept going back. When the door hatch opened, he saw excrement sticking along the hatch rims and smeared out over the inner hatch window, the nauseating smell challenging his composure. Something had to be done, as the other inmates started to panic. A man two doors down who so far had been reciting bible verses in English was now shouting out: “Stop the fucking noise!” The detainee in the cell opposite to Happy’s, a slim looking Iranian man, age about twenty-eight, had his arm dangling out of the door hatch and was screaming:

“He is crazy, he is going to put his cell on fire. My God, he will kill us all!”

Gershon tried to calm the man down and in the process wanted to close the door hatch, at which the inmate totally panicked. “I have permission!” he insisted in tears. The Iso-wardens affirmed that there was a written permission on the post for several detainees on the ward. Now the negotiations went to and throw from the whimpering Persian on the one side to the smelly savage on the other side of the ward. At one point Happy looked Gershon in the  eyes with an angry look as if he was measuring him up. Gershon thought that he had finally gotten through to him. But when he addressed him again, Happy started to roar like a lion. When he growled, Gershon saw the man’s dirt between his teeth. His eyes showed a total absence of reason. What use is there, Gershon thought, to try to reason with someone who has totally lost it. What horror has this man gone through to go down this deep? All humanity has disappeared out of him. When the hour was over he called back his department head.

“Then take a matrass and tape it against the door, for Peet-sake,” said Bakker. “But I want you to keep observing him through the camera and call me if he seriously injures himself.”

Back on his department’s central post,  Gershon set out to check on a hunch. Both the name Happy and that of the Iranian, Mehmood, had been familiar to him. He had seen them at the head-count at five that afternoon. The first name he found back in the card-index, pointing to a cell on the E-ward. The other belonged to a cell on the F-ward. But as he checked at the door hatches, it was clear that both cells had two occupants in them. Mehmood was a name that occurred more often, but that there were more than one Happy was highly unlikely. When he compared the name labels at the doors he saw that the registration numbers matched those on the Iso-list. Until the end of his shift Gershon kept fretting over the question who the two unknown inmates were, the ones in the Isolation ward or the ones in his department. At the change-over at eleven o’clock he put the issue to his colleague.

“Oh, no need to make such a big thing about it Gersh, it just was total chaos yesterday night when they came in,” Martijn responded.

“But you know as well as I do that it’s a capital sin if the head-count on a prison ward is wrong.”

“If Roberto has said that Bakker knows, I wouldn’t worry about it my friend.” Martijn hardly ever worried about anything. His whole rounded posture and smiling face radiated calmness and ease. It almost persuaded Gershon. But not quite. I don’t want to be held responsible, he argued in his mind, for the chaos that the fire at Schiphol brought into our institute. Neither did he want to embarrass his department head by broadcasting the unknown identity of two inmates in their facility. He therefore decided to send an e-mail to all the department heads of his building to alert them that detainees had switched names and cells and that this, in combination with the unknown number of escapees, brought some uncertainty about the identity of some of the inhabitants on his department on the second floor. In a separate mail message to Erik Bakker he gave a detailed account about the double names that he had encountered. For a moment he hesitated whether it was wise to bring up the subject. He didn’t want to come over as a smart-ass. Finally he pressed send. That way at least I’m covered when worst comes to worst, was his reasoning.

 

Gepost op

English synopsis Concertina

Story

A fire broke out at a detention centre for rejected asylumseekers at Schiphol Airport Amsterdam in the night 26 op 27 October 2005. It was a shocking and traumatic incident which deeply touched Dutch society. Eleven detainees were killed and fifteen detainees and wardens injured in that fatal accident, a sad account of failing security procedures.

To head warden Gershon Weening, the arrival at his detention centre of ninety-eight of the victims of that tragic fire-incident offered a welcome change to the daily routine at his facility. He looked forward to an opportunity to help a vulnerable group of detainees. It would also give him a chance to show his qualities to his superiors. Driven by his zeal, Weening demonstrates to the department heads of the penitentiary facility at Camp Zeist that mistakes were made during the chaotic arrival of the victims of the fire. Names of some of the inmates appeared double or were missing, which resulted in uncertainty about the number and identity of the detainees on his ward. Not long afterwards, Gershon is relieved of his position as head warden because of an incident with a colleague.

Back on the ward as warden, Gershon comes into close contact with the victims of the fire at Schiphol Airport. With those that are left that is, because as he notices, the Justice department has ordered a rapid deportation-procedure for this group of detainees. Which was strange, because a debate in the Dutch Parliament whether or not to grand these victims of the fire a general pardon to stay in the Netherlands was still ongoing.  Together with his colleagues, Gershon works to improve the conditions and general atmosphere on the ward for those that remain. Sportive and social events are organized, clothes are gathered. The stories of the prisoners are heard and written down. Letters from lawyers or from court concerning the individual cases are read and explained to the detainees to prepare the men for their next appearance in court.

Erik Bakker perceives the behaviour of his staff on ward E as a threat to his authority as department head. A cat and mouse fight ensues between Bakker and Weening: each time the warden introduces a new initiative to improve conditions for the detainees, more restrictive procedures are put in place by the department head. Other wardens and the detainees are used to achieve gains against each other. Whilst it is the department head’s assignment to get as many of the victims of the Airport-fire deported before a political decision falls to grant them all asylum, Gershon puts all his effort in getting at least some released. When he achieves his pyrrhic victory, Gershon knows that he will never do anything but cleaning jobs if he stays. He decides to leave Camp Zeist for security work in the private sector.

Some weeks later Weening is contacted by a small group of former inmates from Camp Zeist. These victims of the fire have been released as a result of his efforts, but their freedom is a farce, so he finds out. They are compelled to stay at an asylum seekers facility in the far east of the county, waiting indefinitely for their permanent visa-papers. Gershon intervenes on their behalf once more by calling in the help of a high profile lawyer who brings the fate of these victims to the attention of the right members of parliament. Eventually 39 of the 268 victims of the fire at the Schiphol Airport detention centre receive financial compensation and a permanent status to remain in the Netherlands.

*Chapter 1 of this novel is published in Dutch on this website here.

Title

Concertina is the razor sharp barbwire which comes in harmonica-like rolls and is placed on  fences and walls of prisons and detention centres to prevent breakouts.

 Author

Concertina is a semi-autobiographical novel, written by the Dutch theologian and novelist André Verkaik. The author formerly was warden and head warden at the prison facility, located in detention centre Camp Zeist (2002-2006), in the Netherlands. Verkaik followed short prose and novel writing courses at the Amsterdam writers college (‘Schrijversvakschool’) and has previously published the novel That Red Stuff (‘Dat Rode Spul’) and a collection of short prose, entitled Incidents, stories of  law enforcement (‘Incidenten, verhalen uit de handhaving’), so far only published in Dutch. Apart from his literary projects, André Verkaik is the founder and editor in-chief of text bureau AYBS (Areyoubeingsurfed.nl) and is still involved in part-time security assignments.

 

Works by A. Verkaik:

-Dat Rode Spul, 2013, Calbona, Rotterdam . ISBN 9789 491 254772. (English synopsis click here)

-Incidenten, verhalen uit de handhaving, 2016, Calbona Rotterdam. ISBN 9789 492 575111.

-Concertina, 2017, Calbona, Rotterdam. ISBN 9789 492 575814.

Gepost op

Concertina, Hoofdstuk 1: Nabrander

(Chapter 1 of the novel Concertina by André Verkaik / Dit 1e hoofdstuk van de roman Concertina werd eerder gepubliceerd in de bundel Incidenten, verhalen uit de handhaving).

*This chapter was published here because many of my friends and contacts abroad expressed a desire to read my books. I am sorry to say that at present I do not have the means or the capability to translate my works into English. One friend suggested that I publish the Dutch text online in order for her to attempt to read some of it with the help of Google Translate. Although I dread the result of putting my story through Google Translate, here it is. And I will attempt to make a translation of this first chapter soon. André Verkaik.

Het vuur werd met zo’n kracht door de met verwrongen tralies bedekte vensters de donkere nacht in geperst dat de vlammen uit snijbranders leken te komen. Er kwam aan alle kanten rook uit het met grijze golfplaten bedekte gebouw, vooral onder de dakrand vandaan. Wollige grijze rookpluimen onttrokken het platte dak aan het zicht en gaven het complex een luguber kapsel. Daarboven werd de nachtelijke duisternis verdreven door een rode gloed. Plotseling schoot een fontein van vonken de lucht in die met de ijzige oktoberwind werden meegevoerd. Achter het brandende gebouw stonden brandweerwagens met loeiende sirenes en felle zwaailampen in een file voor de dubbele poorten. Daarachter bevond zich de hoge, met vlijmscherp prikkeldraad afgezette sluis die toegang gaf tot het terrein. Er stond een bluswagen in de sluis, maar de automatische buitenpoort sprong steeds weer open als deze bijna gesloten was, waardoor de tweede poort gesloten bleef en de bluswagens het terrein niet op konden. In de luwte van een andere vleugel van het cellencomplex stond een groep mannen bijeengedreven achter de met gaas afgezette hekken. Ze waren bijna allemaal halfnaakt en hadden dekens om zich heengeslagen om zich tegen de winterkou te beschermen. Weerloos en rillend stonden de gevangenen te wachten tot ze weggevoerd zouden worden van het detentiecentrum dat hen niet meer vasthouden kon.

 

Pas nadat Gershon Weening zijn dochters naar school had gebracht en het nieuws had aangezet in de nog koude woonkamer ontdekte hij het drama dat zich de nacht ervoor had afgespeeld in het uitzetcentrum Schiphol-Oost. Hij was met jas en schoenen aan voor de televisie neergeploft. Als gehypnotiseerd zag hij de dramatische beelden op de televisie zich steeds weer herhalen. Zappend tussen de zenders Nederland 1 en RTL 4 bleef hij kijken en luisteren om te weten of er nieuwe feiten bekend werden gemaakt. Het was negen uur ’s morgens en er werd nog steeds nageblust.

In de weerspiegeling van het tuinraam achter hem in de beeldbuis zag Gershon dwars door de beelden van brand en vernieling heen zijn eigen gezicht. Zijn stoppeltjeskapsel verborg wel het dunner worden van zijn haar, maar de contouren van zijn haarinplant verraadde toch de voortschrijdende kaalheid. De grote gebogen neus, een typisch Weening trekje, stond in zwaar contrast met de kleine spitse kin eronder. Hij wreef zijn slaapogen schoon en betastte meewarig de twee dagen oude stoppelbaard. Met moeite wist hij zich van de televisie los te rukken om, opgefrist en gekleed in een joggingbroek, snel de ontbijttafel af te ruimen en de afwas te doen. Daarna ving hij tussen een glas en een ansichtkaart de vliegen die zich tegen het keukenraam murw hadden gevlogen, om ze door het raam naar buiten te laten. Met één oog op de televisie gericht stofzuigde hij de woonkamer. Met zijn voeten op tafel en een pot koffie bij de hand bracht hij daarna de rest van de ochtend voor de buis door.

 

Gershon kende het cellencomplex op Schiphol-Oost. In september, een maand geleden, was hij door diezelfde sluis het terrein op gereden met een vrachtwagen vol maaltijden en andere voorraden die hij vanuit detentiecentrum Zeist daar moest afleveren. Ook toen had de poort een paar keer gehaperd voor hij het terrein op kon.

‘Hoe heeft dit kunnen gebeuren?’ vroeg een presentatrice voor de zoveelste keer aan een verslaggever. ‘Elf mensen zijn levend verbrand in deze vuurzee, ze hebben als ratten in de val opgesloten gezeten in hun containercellen. Het hadden er veel meer kunnen zijn. De oorzaak wordt nog onderzocht.’

Dit kan elke dag gebeuren, dacht Gershon getergd, ook bij ons. Detentiecentrum Zeist was veel groter dan uzc Schiphol en bestond voor het merendeel uit dezelfde prefab gebouwen die hij in brand zag staan. De constructie was simpel: twee rijen aan elkaar geregen stalen containers gescheiden door een brede gang met houten vloer en plat dak. De buitenkant netjes verpakt in grijze golfplaat met het vlijmscherpe concertina prikkeldraad er omheen. Zo kon je in Lego-stijl doorbouwen en zelfs stapelen. In exact zo’n complex van drie verdiepingen hoog zou die middag om drie uur zijn dienst aanvangen als wachtcommandant voor de tweede verdieping.

Om vijf voor twaalf stormde hij de deur uit om Nicole op te halen voor de lunchpauze.

‘Je bent laat Pappa,’ zei ze streng, toen hij haar als laatste in haar lokaal aantrof, ‘en je hebt bloed op je hals, jakkie.’

‘Ja, wat wil je, ik ben de hele ochtend door vampiers achterna gezeten en heb ze bijna allemaal verslagen. Lust je een broodje vampier?’

‘Iee, Pappa, doe normaal,’ schaterde ze en klom vakkundig in haar stoeltje achterop zijn fiets.

 

Om twee uur stapte Gershon in zijn aftandse zwarte Golf GTI. Hij wist van het journaal al dat een deel van de bewoners van uzc Schiphol midden in de nacht naar Zeist waren overgebracht. Dat ze bij hem op de afdeling terecht waren gekomen was een logische gevolgtrekking, ze hadden tenslotte sinds de zomer leeggestaan vanwege onderhoud, waardoor hij weken achtereen op allerlei plekken in Kamp Zeist had gewerkt. Hij brandde van nieuwsgierigheid om te weten te komen hoe het er nu op zijn vleugel uitzag. In de autospiegel zag hij de transformatie die een verzorgd uiterlijk boven de epauletten en stropdas van zijn uniform teweeg had gebracht. Het goudkleurige brilletje daargelaten zag hij er best wel uit als een wachtcommandant in een Huis van Bewaring, vond hij.

 

Zijn entree op de afdeling overtrof vele malen zijn verwachtingen: In de twee cellengangen die zich links en rechts van de Centrale Post uitstrekten zag hij heel veel armen uit de deurluikjes van de celdeuren steken. Deurluikjes zijn normaal altijd gesloten tenzij een bewaker iets met de celbewoners te bespreken heeft. Mannen schreeuwden uit hun cellen naar elkaar en naar de bewakers. Gershon hoorde mannen huilen achter celdeuren. Terwijl hij door de linkergang de afdeling betrad, schopte een gedetineerde uit een van de eerste cellen tegen de deur en brulde tegen hem:

‘You lock us up here so that you can burn us as well, you motherfuckers!’ Een bewaker liep naar de celdeur toe en sprak de man op een geruststellende en begripvolle wijze toe. Zo liep een vijftal bewakers van deur naar deur om de opgesloten asielzoekers te kalmeren of hun sigaret of shaggie aan te steken. Een meisje dat hij herkende als een van de medewerksters van de medische dienst liep met ze mee en deelde pilletjes uit alsof het snoepjes waren.

‘Waarom doen jullie die luikjes niet dicht?’ vroeg Gershon aan een van de bewakers in het voorbijgaan.

‘Dan raken ze helemáál in paniek. Het is kolere voor ons, maar ze hebben toestemming van het afdelingshoofd, dus de luikjes blijven open,’ riep deze gestrest terug en was al weer onderweg naar een volgende cel. Nogal aangedaan door de aan hem gerichte beschuldiging van de gedetineerde liep Gershon naar de Centrale Post. Teamleider Roberto kwam de post uit en bood Gershon een uitgestoken hand en trok hem naar binnen.

‘Welkom in het vagevuur, Weening. Een stuk minder heet dan de hel van gisteren, maar toch.’ Roberto was een lange man van achter in de veertig. Grijze stoppels bedekten altijd zijn schedel en nu ook zijn wangen. Hij had het uiterlijk van de ideale hopman bij de padvinders: een brede kaak, snor en vriendelijke bruine ogen onder dikke bruine wenkbrauwen. Nu was het zaak voor Gershon om zo veel mogelijk informatie uit hem te krijgen want over een half uur was hij verantwoordelijk voor de afdeling.

‘Ik ben gisteren om twaalf uur ’s nachts uit mijn bed gebeld en hier naartoe gekomen. Toen ze rond twee uur binnen werden gebracht kwam de rook er nog vanaf. We hebben een paar op de isolatieafdeling moeten zetten. Zeer emotioneel en agressief. Niet mee te praten.’

‘Wat wordt er van ons verwacht?’ vroeg Gershon.

‘We kunnen weinig met deze mensen. Specialisten van Justitie zouden vandaag komen om ze te helpen met de traumaverwerking. Het is nu drie uur en ze zijn nog steeds niet gekomen. De Pater houdt met kleine groepjes slachtoffers een gespreksuurtje in de kerkzaal. Ik zie er niet echt het nut van in. En het kost me een man die ik beter op de gang kan gebruiken.’

‘Het is juist heel belangrijk. Dat helpt bij de verwerking,’ wilde Gershon uitleggen.

‘Ik doe er niets meer mee. Laat Justitie het zelf maar oplossen.’

‘Maar Roberto, het is toch machtig interessant om te ontdekken hoe we met deze mensen om moeten gaan? Dat is ons met de bolletjesslikkers en de tbs’ers ook gelukt,’ zei Gershon met een enthousiaste blik in zijn ogen. Roberto keek hem met toegeknepen ogen en een wat meewarige gezichtsuitdrukking aan terwijl hij zijn hand over zijn grijze schedel streek.

‘Laat het los Gershon, je krijgt er alleen maar gedonder mee. Dat is onze taak helemaal niet. En je kunt er weinig mee aanvangen. De meesten spreken niet eens Engels. Een intakegesprek heeft dan helemaal geen zin. Is ook nergens voor nodig, de uitgeprocedeerde asielzoekers moeten gewoon zo snel mogelijk het land uit en de bolletjesslikker moeten hun veroordeling afwachten en hun straf uitzitten, die worden vanzelf een keer overgeplaatst.’

‘Zitter er ook drugstrafficanten tussen? Wat doen die in een uitzetcentrum?’

‘Geen idee, het zat allemaal door elkaar. O ja, er mag beslist niet meer dan twaalf man de gang op…’

‘Dus met luchten gaan er maar twaalf man naar buiten?’

‘Nee, luchten is per kant, dus vierentwintig per keer. Ze mogen absoluut geen vuur in de cel hebben. Als ze willen roken melden ze zich over de intercom en wij brengen ze een vuurtje. Geen aansteker afgeven, altijd door het luikje aansteken. Van sommigen weten we niet hoe ze heten. Dan staat er N.N. op het naamplaatje, voor ’No Name’, en het registratienummer uit het justitiesysteem. De Chinezen hebben vanaf Schiphol al voor veel gezeik gezorgd door elkaars namen te gebruiken. Er zijn trouwens ook een paar weggelopen bij de ontruiming op Schiphol, wist je dat? Hun namen kom je hier soms ook tegen maar dan blijkt het om een andere grapjas te gaan.’

‘Maar dan weten we helemaal niet wie we hier hebben zitten!’ bracht Gershon er verbaast uit. Roberto haalde zijn schouders op.

‘Erik weet ervan en zei dat het bekend was toen ze binnen kwamen.’ Door naar afdelingshoofd Erik Bakker te verwijzen was de zaak voor hem beslecht, Justitie had in alle beleidsvragen het laatste woord, wist Gershon.

‘En als ik om elf uur ga tellen?’

‘Dan tel je gewoon wat je hebt, ook de mannen die op de isolatieafdeling zitten natuurlijk.’

 

Iets na zessen, toen de dagploeg was vertrokken, werd Gershon op de portofoon opgeroepen.

‘Weening, Berend hier op de F-vleugel. Wil je effe naar cel F 10 komen?’

Gershon zag de bewaker bij de celdeur staan met zijn hand aan het luik. Het was een beer van een vent van achter in de twintig met een kale kop en een tatoeage in zijn nek. Gershon benijdde het natuurlijk overwicht dat Berend over gevangenen had door zijn postuur. Maar de enorme buik die strak in het overhemd over de brede leren broeksriem hing stelde hem toch weer tevreden met zijn eigen tengere figuur. Hij zou altijd sneller zijn dan iemand als Berend, of het nu was om te vechten of te vluchten. Toen Gershon bij de cel aankwam, sloot Berend het luikje om te voorkomen dat de mannen binnen konden meeluisteren.

‘Meneertje Ksímenes gaat uit zijn plaat. Hij wil per se naar een andere afdeling. Hij heeft bonje met zijn celgenoot, zegt hij. Ik heb hem uitgelegd dat alles vol zit. Maar hij accepteert het niet.’ Gershon keek op het naamplaatje naast de deur. Xímenez en Lusjenko waren de bewoners.

‘Waar gaat de ruzie over?’ vroeg hij.

‘Weet ik niet. Die ene is een Peruaan en hij spreekt weinig Engels. De ander komt uit de Oekraïne. Ksímenes zegt dat ze in het cellencomplex op Schiphol ook al ruzie hadden.’

Gershon keerde zich naar het luikje dat Berend nog steeds beschermend dicht hield en nu met enige tegenzin voor hem opende. Kennelijk waardeerde hij het niet dat zijn leidinggevende in discussie ging met zijn gevangene. Hij wilde gewoon bevestiging. Toen Gershons ogen gewend waren aan de donkere cel zag hij bij het licht van de televisie een Oost-Europees ogende man op het onderste bed liggen dat in de verste rechterhoek van de smalle ruimte stond. Met de handen achter het hoofd gevouwen keek de man Gershon met een grijns aan, de ogen dichtgeknepen tegen de rook van het shaggie dat tussen zijn lippen hing. Dat moest Lusjenko zijn, maar waar was die Peruaan?

Señor?’

Een klein licht getint mannetje met halflang zwart haar stond net onder het deurluikje omhoog te kijken.

Señor, I must go to other cel. I must go to other ward. This man is bad. If I stay it will be very bad.’ Gershon had hem in het Spaans kunnen antwoorden. Hij had in de jaren negentig een jaar in Zuid Amerika onderzoek gedaan en sprak het Spaans nog steeds goed. Maar dan wekte hij de verwachting dat hij iets voor deze man ging regelen, en sloot hij Lusjenko uit.

‘Er is geen plaats,’ begon hij in het Engels. Jiménez begon te huilen en sprong op en neer om dichter bij het luikje te komen. De ogen stonden wijd open en het speeksel vloog door de lucht terwijl hij schreeuwde:

O Dios mio, you no understand. We fight together in the fire. This man is bad. Put me in isolation. I can’t stay one night. Put me in isolation man, I tell you. This man is bad.’ Gershon keek langs de Peruaan terug naar Lusjenko. Die kwam grijnzend overeind en liep Jiménez vast in de hoek bij de celdeur. Hij legde zijn handen quasi vaderlijk op zijn schouder en hoofd.

‘Not to worry, warden,’ zei hij amicaal met een zware nicotinestem. ‘We will be alright, èh Miguèl?’ Xímenez probeerde zijn celgenoot van zich af te houden maar was geen partij voor de veel grotere Oekraïner. Het Quechua-indiaantje zakte snikkend naar de grond met zijn armen over zijn hoofd. Gershon had genoeg gezien.

‘Lusjenko, terug op je bed, nu! Of het wordt isolatie. Xímenez, pak je spullen en je beddengoed en wacht hier bij de deur.’ Lusjenko keerde mokkend terug naar zijn bed. De Peruaan bleef snikkend op de grond zitten.

Xímenez, toma sus cosas y las sábanas y espera a la puerta.’ De man sprong overeind met een blik van verrukking op zijn gezicht. Onder een niet aflatende regen van grácias en allerlei zegenwensen pakte hij zijn spullen en lakens.

‘Berend, blijf ze observeren, ik ga op zoek naar een geschikte cel op de andere vleugel.’ Berend keek hem met een mix van verbazing en minachting aan en liet het luikje met een klap dichtvallen.

‘Je gaat toch niet toegeven hè? Straks willen ze allemaal naar een andere cel! En je moet toestemming hebben van een afdelingshoofd.’ Hij liep rood aan. Gershon voelde de spanning in zijn buik oplopen. Het was nooit handig om anders te besluiten dan het personeel op de gang, dat wist hij, maar deze situatie vroeg om direct optreden, dat was hem ook duidelijk.

‘Die man is in doodsangst en daar moet ik wat mee. Lusjenko intimideert hem waar ik bij sta. Dit is een onhoudbare situatie.’

‘Nou, ik weet niet wat voor wachtcommandant jij bent, ouwe,’ snauwde Berend, ’maar je bent wel erg makkelijk over te halen.’

‘Deze man is getraumatiseerd…’

‘Ze zijn allemaal getraumatiseerd! Ze willen gewoon hun zin doordrijven!’

Deze man ga ik niet overtuigen, dacht Gershon. En deels heeft hij wel gelijk. Maar ik laat die Peruaan niet aan zijn lot over.

‘Meneer Xímenez gaat naar de andere kant. Blijf hen observeren. Bulent komt zo met de sleutel en dan kunnen jullie hem tijdelijk in de gespreksruimte opsluiten.’ Hij draaide zich om en liep terug naar de Centrale Post. Bijna het hele volgende uur was hij bezig om zijn beslissing te verdedigen en uit te werken, eerst over de telefoon tegen het laatste nog aanwezige afdelingshoofd en daarna in de diverse rapportages.

‘Als jij dat nodig vindt, geen enkel probleem. Maar maak er geen stoelendans van,’ was het laconieke commentaar van afdelingshoofd Kees uit gebouw 6 geweest. Daarna begeleide hij de verhuizing van Xímenes naar een cel op de andere vleugel, bij een rustige medebewoner.

 

Gershon was moe na de botsing met Berend. Hij had het even gehad op de afdeling en greep de kans om een kijkje te nemen op de iso-afdeling. Vanuit zijn afdeling was het slechts een kleine wandeling naar de centrale hal en de trap af naar de eerste verdieping. De strafcellen zaten allemaal vol. Er klonk een dof gebonk achterin de afgesloten gang. De twee bewakers zaten gespannen te roken in het kantoortje bij de ingang.

‘Er zit op cel 6 een totaal doorgedraaide gedetineerde, Happy heet hij,’ vertelde Dennis, de meest ervarene van de twee. ’Zo te zien is het een Afrikaan maar er is helemaal niets over hem bekend. ´No Name´ Happy heeft geweigerd het scheurpak aan te trekken en loopt naakt rond in zijn cel. Kijk, daar zie je hem op de monitor.’ Gershon zag de gespierde neger in de hoek van de cel bij de deur. Met kracht bonkte hij met zijn voorhoofd en handen tegelijk tegen de stalen celdeur. Het deed Gershon denken aan de mythologische Minotaurus uit het doolhof op Kreta toen hij hem zo bezig zag.

‘Laten we maar eens gaan kijken,’ zei hij en stond op.

‘Bereid je maar voor, Gershon, het is een beestenboel. Happy heeft zijn ontlasting overal langs de muren gesmeerd. Hij zit zelf ook onder de stront.’ Halverwege de gang kwam de stank hen tegemoet. Zodra het luikje open ging kreeg Gershon een weeïg gevoel in zijn maag. Happy stopte even met bonken maar hervatte al snel zijn lawaai door met volle kracht met handen, voeten en hoofd tegen de celdeur te keer te gaan.

‘Mr. Happy, calm down. Come here, let’s talk.’ Wat hij ook probeerde, hij kreeg geen contact met de bebaarde wildeman. Gershon belde met zijn afdelingshoofd. Erik Bakker zat thuis maar had oproepdienst.

‘Probeer de man te kalmeren. Als dat niet lukt, bel je mij weer,’ zei Erik toen hij het verhaal had aangehoord.

‘Dat heb ik de afgelopen twintig minuten geprobeerd Erik. Soms denk ik dat ik contact met hem heb. Dan kijkt hij me aan. Maar dan duikt hij plotseling weer met zijn kop tegen de deur of schreeuwt wartaal uit.’

‘Verwondt hij zichzelf?’

‘Niet meer dan schrammen en builen zover ik kan zien. Maar het lawaai klinkt door de hele iso-gang. De andere bewoners vragen constant over de intercom wanneer het stopt, ze worden nerveus.’

‘Kijk het nog even aan en als hij na een uur niet rustig wordt, wil ik dat je mij belt.’

Gershon keerde terug naar zijn afdeling maar werd in het volgende uur nog tweemaal door de gestreste iso-bewakers opgeroepen voor assistentie. Vol walging ging hij heen en weer. Als het luikje open ging, zag hij de stront langs de randen en op het raampje hangen en kwam de penetrante geur hem tegemoet. Er moest iets gebeuren, want de andere iso-cel bewoners raakten in paniek. Een man die de hele tijd in zijn cel in het Engels luid Bijbelverzen had geciteerd twee deuren verder was nu aan het schreeuwen: ‘Stop the fucking noise!’ De overbuurman van Happy, een magere Iraniër van achterin de twintig, hing met zijn arm door het deurluikje en schreeuwde: ‘He is crazy, he is going to put his cel on fire. My God, he will kill us all!’

Gershon probeerde hem te kalmeren en wilde zijn deurluikje sluiten maar daar raakte de man totaal van in paniek. ‘I have permission,’ hielt hij huilend vol en de iso-bewakers beaamden dat. Het onderhandelen ging nu tussen het angstige hoopje ellende aan de ene en de stinkende wilde aan de andere zijde van de gang. Plotseling keek Happy Gershon aan met een woeste blik alsof hij hem aan het inschatten was. Dat gaf Gershon weer een sprankje hoop dat hij hem had bereikt. Maar toen hij hem weer aansprak begon Happy plotseling uit volle borst te brullen als een leeuw. In zijn ogen was geen enkele rede meer te ontdekken. Als hij gromde zag Gerson ontlasting tussen zijn tanden. Wat heeft het voor zin om redelijk te praten tegen iemand die de rede totaal kwijt is, dacht hij. Er was geen sprankje menselijkheid meer in hem. Toen het uur om was belde hij weer met het afdelingshoofd.

‘Plak dan maar met tape een matras tegen de deur om het lawaai te dempen. Ik wil wel dat jullie hem op de camera’s in de gaten houden en me bellen als hij zichzelf verwondt.’

 

Terug op de afdeling wilde Gershon een vermoeden checken; de naam Happy zowel als die van de Iraniër, Mehmood, had hij eerder gezien bij de telling van vijf uur. De ene naam stond op de kaartindex bij een cel op de E-vleugel, de ander op F. Maar in beide cellen zaten al twee bewoners. De naam Mehmood kwam vaker voor, maar het was zeer onwaarschijnlijk dat er twee Happy’s waren. Toen hij het op de naamlabels bij de celdeuren controleerde bleken ook de registratienummers overeen te komen. Tot aan het einde van zijn dienst bleef Gershon tobben over de vraag wie de onbekende gevangenen waren, de twee in de iso-gang of hun naamgenoten op de afdeling. Bij de aflossing om elf uur zat hij er nog steeds mee in zijn maag en hij legde het aan zijn collega Martijn voor.

‘Ach, daar moet je niet zo moeilijk over doen. Het is gewoon chaotisch verlopen gisternacht,’ zei deze.

‘Maar je weet dat het hier een doodzonde is als je telling niet klopt.’

‘Als Roberto gezegd heeft dat Bakker er van weet, zou ik me er verder geen zorgen over maken.’ Zijn collega maakte zich zelden ergens zorgen over. Zijn gezette lichaam straalde altijd gemoedelijkheid en rust uit. Zo zat Gershon niet in elkaar. Hij wilde achteraf niet verantwoordelijk gehouden worden voor de chaos die de brand op Schiphol binnen hun inrichting had gebracht. Aan de andere kant wilde hij zijn eigen afdelingshoofd ook niet in verlegenheid brengen door de onbekende identiteit van twee bewoners op zijn afdeling wereldkundig te maken. Daarom stuurde hij een mailtje aan alle afdelingshoofden van het gebouw om aan te geven dat gedetineerden van naam en van cel wisselden en dat dit in combinatie met het onbekende aantal gedetineerden dat ontsnapt was, onzekerheid teweeg bracht over de identiteit van de bewoners van de bovenste verdieping. In een apart mailtje aan Erik Bakker deed hij het probleem uit de doeken over de twee dubbele namen die hij gevonden had. Nog even twijfelde hij of het wel verstandig was om dit aan te kaarten. Het kon wat betweterig overkomen. Uiteindelijk drukte hij op ‘verzenden’. Zo was hij ingedekt, redeneerde hij.

Gepost op

CONCERTINA, de nieuwe roman van André Verkaik

(An English synopsis of the novel Concertina by André Verkaik can be found on this website at this location)

Concertina is een semi-autobiografische roman, geschreven door André Verkaik, voormalig

André Verkaik

detentietoezichthouder en wachtcommandant in detentiecentrum Zeist (2002-2006). Verkaik deed zijn schrijfopleiding aan de Schrijversvakschool te Amsterdam en bracht eerder de roman Dat Rode Spul (2013) en de bundel Incidenten, verhalen uit de handhaving (2016) uit. Concertina is het vlijmscherpe prikkeldraad dat in uittrekbare rollen wordt aangebracht op hekken en muren van gevangenissen en detentiecentra om uitbraak te voorkomen.

 

Het verhaal

De brand in het Uitzetcentrum Schiphol-Oost in de nacht van 26 op 27 oktober 2005, waarbij elf gedetineerden omkwamen en vijftien gedetineerden en bewakers gewond raakten, was een ingrijpende en traumatische gebeurtenis welke de Nederlandse samenleving diep trof, een ontluisterend relaas van falende veiligheidsprocedures.

Voor Gershon Weening betekent de komst van ongeveer honderd van de slachtoffers van de brand naar Detentiecentrum Zeist in die nacht een welkome afwisseling in zijn werk als wachtcommandant en een gelegenheid om zijn kwaliteiten te bewijzen. In zijn gedrevenheid toont Weening de afdelingshoofden van Justitie op Kamp Zeist dat er bij de chaotische binnenkomst van deze slachtoffers fouten zijn gemaakt, namen klopten niet, waardoor er onduidelijk bestond over de telling. Enige tijd later wordt hij uit zijn functie als wachtcommandant gezet vanwege een incident met een collega.

Weening staat weer als detentietoezichthouder op de gang en komt daardoor is nauw contact met de slachtoffers van de brand in het uitzetcentrum Schiphol-Oost. Met degenen die over zijn, want ze worden door Justitie in rap tempo uitgezet terwijl in de Tweede kamer wordt gedebatteerd over een generaal pardon voor deze groep. Met zijn team werkt Gershon aan de sfeer op de afdeling, er worden evenementen georganiseerd en kleding ingezameld. De verhalen van gedetineerden worden vastgelegd, brieven van advocaten en rechtbanken worden uitgelegd om de mannen voor te bereiden op advocaatbezoek en rechtbankzittingen.

Afdelingshoofd Erik Bakker ziet dit als een aanval op zijn gezag en stelt steeds strengere maatregelen in voor het bewakende personeel. Het wordt Gershon duidelijk dat niet het incident met de collega maar zijn bekendmaking van de fouten in de nacht na de brand de reden was voor zijn schorsing. Er ontstaat een spel van kat en muis, waarbij andere bewakers en de gedetineerden de ingezet worden om winst op elkaar te behalen. Terwijl het Bakker’s opdracht is om zo veel mogelijk van de honderd slachtoffers van de Schipholbrand uit te zetten, lukt het Weening om een paar van zijn gedetineerden vrij te krijgen. Na deze Pyrrusoverwinning weet Gershon dat hij nooit meer iets anders zal doen dan schoonmaak-werkzaamheden als hij blijft, en besluit Kamp Zeist te verlaten.

Concertina, A. Verkaik

Buiten wordt Weening benaderd door ex-gedetineerden. Hun vrijheid blijkt maar schijn te zijn, ze worden vastgehouden in een asielzoekerscentrum in Oost-Groningen en verkeren ook daar weer in een uitzichtloze situatie. Door dit onder de politieke aandacht te brengen krijgen deze slachtoffers een schadevergoeding en ontvangen uiteindelijk 39 van de slachtoffers van de Schipholbrand een permanente status.

 

*Hoofdstuk 1 van de roman Concertina, getiteld Nabrander, is integraal gepubliceerd op deze website en kan bereikt worden door deze link te volgen.

Gepost op

INCIDENTEN, VERHALEN UIT DE HANDHAVING

Op 21 november 2016 is de bundel Incidenten, verhalen uit de Handhaving van auteur André

Incidenten, korte verhalen uit de handhaving
Incidenten, verhalen uit de handhaving

Verkaik uitgebracht. Verkaik schreef zijn korte proza op basis van ervaringen in zowel operationele als leidinggevende functies onder meer op Schiphol, in het gevangeniswezen en in detentiecentra. Momenteel is de schrijver nog steeds parttime actief bij evenementen en als surveillant in de binnenstad van onder meer Amsterdam en Utrecht. ‘Ik ben geen literaire of journalistieke spion, zoals Günther Wallraff dat was voor zijn roman Ik (Ali). Ik werkte gewoon als bewaarder of beveiliger en deed dat over het algemeen met plezier en met een gevoel van zingeving.’

Verkaik wil in zijn verhalen de vrouw en man ín het uniform een gezicht geven. Het uniform schermt af, wat noodzakelijk is, want je handhaaft de orde en de wet namens de overheid, instellingen of bedrijven. ‘Ik moet tijdens mijn werkzaamheden een boel shit incasseren, het glijdt van me af, ze kennen mij niet en kunnen mij niet raken. En ze hebben ook geen idee van de issues die ik meedraag naar mijn werk.’

Het idee voor het eerste verhaal, ‘Politieacties’, kwam tot stand door twee berichten in het Parool, het één over agenten die actie voerden voor betere beloning en het ander over een familiedrama in de Bilderdijkstraat in Amsterdam. In het verhaal, Washroom blues, dat er op volgt, gaat een supervisor beveiliging op Schiphol met zijn billen bloot, wat als metafoor dient voor Verkaiks intentie om door te dringen tot de mens ín het uniform.

Elk volgende verhaal is langer en gaat dieper in op de complexiteit van het handhaven en de druk op de hoeders van de orde. In sommige verhalen wordt ook de afwezigheid of het niet functioneren van handhaving aan de kaak gesteld. Politie, Boa’s, beveiligers, bewakers, een volkje met een eigen cultuur? ‘Handhavers en beveiligers zijn de eerstelijns waarborg voor veiligheid, orde en rust in deze veranderende en polariserende samenleving. We vervullen daarmee uiterst verantwoordelijke, maatschappelijke taken, voor doorgaans minimale beloning en met weinig opleiding.’

Een goede dienst is een dienst zonder bijzonderheden. Maar het zijn de incidenten die bewaard blijven, ze worden vastgelegd in dienstrapportages voor evaluatie en eventuele verbeteracties. Deze bundel presenteert een aantal fictieve incidenten op basis van reële veiligheidssituaties.

Incidenten, verhalen uit de handhaving, is een co-productie van de schrijver en uitgeverij Calbona uit Rotterdam. Het boek is verkrijgbaar in alle Nederlandse boekhandels, ook online.

boekpresentatie Andre Verkaik 8 april 2013André Verkaik is geboren in Landgraaf (L), hij groeide op in Hoogezand-Sappemeer en woont momenteel in Huizen (NH).

Hij studeerde theologie aan de VU en deed zijn schrijftraining aan de Schrijversvakschool te Amsterdam. Hij schreef daarna een aantal verhalen en essay waarvan diversen werden genomineerd of gepubliceerd. In 2013 publiceerde Verkaik zijn debuutroman Dat Rode Spul. Verder schrijft en redigeert hij teksten voor het tekstbureau AYBS (Areyoubeingsurfed.nl).

 

Incidenten, verhalen uit de handhaving is hier te bestellen.

Gepost op

Boeiende boekenwinkels 4: Pegasus

Wandelend langs de Amsterdamse grachten op zoek naar een interessante boekenwinkel passeer ik een slanke jonge dame met een hondje. Zij heeft mooie lange benen in nylon kousen onder een korte broek, een kort jasje met een bontkraag en lang golvend blond haar. Het hondje dat haar driftig voort trekt is van het type Gremlin, met kleine snelle pootjes en een statisch roodbruin kapsel van top tot teen. In het voorbijgaan maak ik oogcontact met de blondine, ze glimlacht haar tanden bloot. Ik lach terug. Dan zijn we elkaar gepasseerd, ach, het leven gaat te snel.

Nog daaraan denkend kom ik op mijn bestemming aan, Singel 367, een smal grachtenpand met hoge ramen. Pegasus is de kleinste boekhandel die ik heb bezocht tot nu toe, met op de begane grond stellagekasten met boeken rondom en een aantal tafels in het midden. Achterin de zaak, voorbij de kassa, leidt een sierlijke trap naar verdieping 0.5 waar meer moois te zien is achter een balustrade. MaarMisdaad en straf hoe bescheiden ook in omvang, toch is boekhandel Pegasus vakspecialist op het gebied van literatuur uit Oost- en Midden Europa. Voor veel lezers blijft deze literatuur na een minimale kennismaking op de middelbare school een gesloten boek. Misschien komen namen als Tolstoi, Tsjechov en Solzhenitsyn nog bekend voor, ook al hebben ze niet meer dezelfde allure als tegenwoordig Tolkien, Rowling of Stephen King. Je kunt je afvragen of de Oost-Europese literatuur nog wel relevant is in deze tijd. Maar toch, kijk, daar staat bijvoorbeeld Misdaad en straf van Dostojewski, een Krimi geschreven vanuit het perspectief van de dader. Gelijk vanaf het begin staat  vast ‘who dun it’. Het is de motivatie van de moordenaar die interessant is. Een verwarde student loopt rond in St. Petersburg met ideeën en vragen over geweld en macht. Zijn hypothese is dat mensen met veel macht, zoals Napoleon, maar denk ook aan Stalin en Hitler later, wegkomen met geweld. Het moorden wordt door de geschiedenis gerechtvaardigd. Deze kronkel die hem tot moord drijft, wordt vaak gelinkt aan Nietzsche’s idee van de Übermensch, en terecht, maar Nietzsche publiceerde pas in de jaren tachtig van de 19de eeuw, toen Misdaad en Straf al 15 á 20 jaar in omloop was. De beïnvloeding was andersom, de fictie van Dostojewski leidde tot een filosofie, Nietzsche was een groot bewonderaar van de schrijver. En wat zegt een boek als dit bijvoorbeeld over de overmoed van een Vladimir Putin?

Maar Pegasus heeft meer dan Russische literatuur. Elk land in de gevarieerde regio die met Midden en Oost Europa wordt aangeduid, heeft een afdeling. Dan komt bij mij de naam Havel naar boven, de laatste president van Tsjecho-Slowakije en de eerste van Tsjechië. Die deed toch ook iets in de literatuur? ‘Ja’, zegt Wim Bosch, de verkoper van de Pegasus boekhandel, ‘Vaclav Havel was toneelschrijver en essayist.’ De toon waarop dhr. Bosch het zegt, geeft aan dat ik dit had moeten weten. En terwijl hij het zegt, reikt zijn lange arm al over mij heen naar een schap achter mij en haalt een klein boekje tevoorschijn. ‘Kijk, Het Tuinfeest, uit 1958, het toneelstuk waarmee Havel debuteerde.’ Het volgende half uur zit ik mij te verkneukelen aan humor uit een voorbije eeuw: bureaucratische denkwijzen die karikaturaal worden neergezet in dialogen vol woordspelingen en herhalingen, ad absurdum. Complimenten voor de vertaler, Kees Mercks, die ver gegaan moet zijn om spreekwoorden die in onze optiek oer-Nederlands zijn een verrassende wending te geven zoals Havel dat gedaan zal hebben met Tsjechische zegswijzen. Zo zegt een partijbons dat niets vreemds hem menselijk is, en waarschuwt een inspecteur zijn toehoorders om het badwater niet met het kind weg te gooien. Havel schuwt het ook niet om de waan van het verhaal te doorbreken zoals blijkt uit dit fragmentje midden in een dialoog:

Amalia:                Nou, dan ga ik maar weer. Tot ziens

Ze wil niet weg, blijft staan

Mevr. Pludek:   Trek het je niet aan meiske! Toen ik begon kreeg ik nog veel kleinere rolletjes!

Amalia:                Dat waren ook andere tijden mevrouw! Da-ag!

En af gaat Amalia.

Vermakelijk stuk, zeker interessant om nog eens op te laten voeren. Ik neem het exemplaar graag mee. Nog even kijken wat er zich bovenaan die sierlijke trap bevindt. De boekenverkoper waarschuwt: ‘Dat is de talenafdeling’. En inderdaad staat hier de literatuur in de originele Slavische talen. ‘Hier zult u de Slavisten aan de universiteiten in Amsterdam goed mee kunnen bedienen’, suggereer ik, wat dhr. Bosch beaamt. Gelukkig voor mij is een deel van deze collectie tweetalig, zoals de uitgebreide serie van Reclam-Verlag, de typisch kleine boekjes in oranje en rode slappe kaft, zonder afbeelding op de omslag. Ik ontdek een enorme hoeveelheid aan klassiekers in het Russisch en Duits waaruit ik een keuze maak.

Beneden reken ik mijn aanwinsten af, € 12 voor het toneelstuk van Havel en een klein werkje van Tsjechov, proletarische prijzen! Dan nog even de “boekhouding”, ofwel, hoe staan mijn eigen boeken erbij. Tot mijn verrassing blijkt mijn roman Dat Rode Spul, die in de sectie Kroatië moet staan, want in dat mooie land speelt de thriller zich af, er niet meer te zijn. ‘Dan is hij verkocht’, zegt dhr. Bosch. Waardoor ik er weer een kan achterlaten. Alle boeken van mijn favoriete uitgeverij KLIN, vertaalde werken van hedendaagse Kroatische auteurs, zijn er ook. Zoals het kostelijke en enigszins postmodernistische Een centimeter vanaf het geluk van Marinko Koščec , dat op levendige wijze de ervaringen weergeeft van Midden en Oost Europese studenten in West Europa en hoe hun carrières daarna verlopen tot aan het fictieve jaar 2050.

Goed gestemd verlaat ik de behaaglijke warmte van de boekhandel, mij afvragend wat het mythologische paard Pegasus te maken heeft met al die interessante literatuur. Terwijl ik de Singel uitloop richting het Spui zie ik op de hoek dezelfde jongedame met haar hondje op een terras zitten. Ze zit alleen aan een tafeltje, gezicht naar het herfstzonnetje gericht dat rechts van de kerk aan de overkant van de Singel staat te stralen. Ze heeft de ogen gesloten als in aanbidding. De tafel naast haar is vrij en in een opwelling neem ik er plaats. Haar hondje ziet mij wel, ik steek mijn hand uit om hem naar mij toe te lokken, maar het beestje  gromt en huppelt zenuwachtig heen en weer, waardoor zij uit haar trance komt, de ogen opent en me recht aankijkt. Een blik van herkenning?

‘Hallo, ik zag je lopen daarnet, op de Singel, met je hondje.’ zeg ik plompverloren.

Ze knikt, een lach op het gezicht, verlegen? Verwachtingsvol? Of onnozel? Het  is in ieder geval een dame met het hondjemooie lach. Ik verbaas me over de egale crèmekleurige huid op haar gezicht. Is het echt of make-up? Samen met het blonde haar geeft het haar een Barbie-achtige look, prachtig.

‘En je raadt nooit wat ik net gekocht heb, in een boekenwinkel verderop’, vervolg ik en begin koortsachtig in mijn tassen te zoeken tot ik de boekjes vind en de kleinste van de twee aan haar laat zien. ‘Kijk, “De dame met het hondje“, van Anton Tsjechov, toevallig hè?’

‘Eh, ne razumijem,’ zegt ze met een verontschuldigende blik, en giechelt een beetje verlegen. Ik versta er niets van. Het klinkt Russisch, maar kan elke andere Oost Europese taal zijn. Ach, had ik nu maar Slavische talen gestudeerd.

Gepost op

Boeiende boekenwinkels 3: Plantage Overtoom

Slechts enkele minuten lopen vanaf het Leidseplein, gelijk aan het begin van de Overtoom, vind je het andere soort boekenwinkel dat Nederland rijk is: zelfstandig en toch onderdeel van een keten van boekenwinkels, heeft Plantage Overtoom naast een breed aanbod aan boeken, ook een rijke keuze aan tijdschriften en kantoorartikelen. En gelukkig maar, want de echte kantoormaterialenwinkel verdwijnt in mijn beleving sneller uit het Nederlandse straatbeeld dan de boekenwinkel. Ik ben als schrijver dan ook dankbaar afnemer van bijvoorbeeld menig pak printpapier dat vervolgens grotendeels in de vorm van bedrukte propjes in mijn papierbak verdwijnt.

Maar boeken was wat mij het eerst deze boeiende boekhandel binnenbracht. Ook, ik geef het toe, om te zien hoe het de exemplaren van mijn zielskindje, de roman Dat Rode Spul, vergaat. Ik heb ze hier een tijd geleden mogen achterlaten, samen met Een centimeter vanaf het geluk, de modernistische roman van Marinko Koščec. Hij komt uit Kroatië en beschrijft de belevenissen van een viertal studenten uit zijn land vanaf het moment dat ze in een West-Europese stad gaan studeren. Ik schrijf over de ervaringen van twee Nederlandse gezinnen op vakantie in Kroatië. Wat ons bij elkaar brengt, is de Kroatische, maar al enkele decennia in Amsterdam woonachtige vertaalster Sanja Kregar, die zich met haar uitgeverij KLIN (Kroatische Literatuur in Nederland) onvermoeibaar inzet voor het bekend maken van de literatuur uit haar mooie moederland.

Een centimeter vanaf het geluk, M. Koscec.
Een centimeter vanaf het geluk, M. Koscec.

Voor ik bij de literatuurafdeling aankom, passeer ik tafels en stellages vol met de nieuwe en populaire titels in veel-gelezen genres, zoals literaire en psychologische thrillers, detectives en familieromans van bekende Nederlandse en internationale auteurs. Dat aanbod is enorm, er is voor iedereen wat te vinden. Wat mij nu opvalt is dat de woorden meisje en zusje onevenredig vaak zijn vertegenwoordigd in de titels. Ik zie bijvoorbeeld Meisje vermist van Tess Gerritse, Mooie meisjes van Karin Slaughter, Zusje van Rosamund Lupton en Verdwenen zusjes van Laura Lippman aan mijn ogen voorbijgaan en filosofeer of hier en bepaalde betekenis aan moet worden gegeven. Het valt me op dat alle auteurs vrouwen zijn. Zou hun verhaal de beoogde lezers raken omdat ze zich met het personage kunnen associëren én het ze een van de grootste menselijke angsten laat beleven, namelijk om totaal overgeleverd te worden aan kwaadwillenden? Ik denk dat ik in ieder geval kan veronderstellen dat mijn hypothetische romans Mooie jongetjes en Verdwenen broertjes het een stuk minder goed zouden doen en neem me dan ook gelijk voor om ze het stadium van de papierpropjes niet eens te laten bereiken.

proppapierLangs een aantal tafels met mooi uitgestalde cadeaus kom ik terecht in een wereld van herkenning; de afdeling tweedehandsboeken is een boekenbal, het is de spiegel van ons Nederlandse literaire geheugen: de bekende twintigste-eeuwse auteurs als Wolkers, Mulisch, Haasse, Bernlev, Reve en Meijsing zijn allemaal goed vertegenwoordigd, evenals een flink aantal Scandinavische schrijvers, om maar wat categorieën te noemen. Hier kan ik uren doorbrengen, ik lees opnieuw stukjes uit Het goud van Thomas Vargas van Isabel Allende, sprookjes voor minder dan Duizend-en-een-nachten maar elk het meerdere malen herlezen waard. Ook de Chileense schrijfster laat een onschuldig meisje genadeloos verdwijnen in een gat van eenzaamheid en verlangen, maar laat ons ook genieten van de smaken, geuren en kleuren, de folklore en de ordeloosheid van het Latijns Amerikaanse wilde westen.

Verder gaand naar achter wordt mijn oog als vanzelf getrokken naar de grote volumes met veel fotomateriaal, zoals het prachtige Famous City Amsterdam, waarin beroemde mensen worden geportretteerd in Amsterdam, en zij hun visie geven op onze mooie hoofdstad. Ik leer dat de Amerikaanse acteur William Dafoe hier een tijd drama gestudeerd en beoefend heeft en van mening is dat ‘alles in drama in Amsterdam onderuit is gehaald’. William heeft op jonge leeftijd, toen zijn kop nog niet zo fotogeniek met rimpels doorweven was, zijn naam in Willem veranderd om te voorkomen dat men hem in zijn geboorteplaats, Appleton, Wisconsin, Billy zouden noemen. Willem was here!

En dan eindelijk, helemaal tegen de achterwand, rechts van het drukbezochte postkantoortje, komt mijn zoektocht succesvol ten einde. Beide exemplaren van Dat Rode Spul staan netjes op hun alfabetische plekje in de kast, net als Een centimeter vanaf het geluk van Koščec. Fijn dat ze er zijn! Nog beter is het als ze hun weg vinden naar geïnteresseerde lezers. Nu weet u ze te vinden.

Weer thuis aangekomen ligt er een boek op de salontafel, de nieuwste aankoop van mijn vrouw: Verdwenen zusjes van Laura Lipman. Er is dus wel degelijk een markt voor. Toch eens inkijken misschien?

Gepost op

Boeiende boekenwinkels: boekhandel Schimmelpennink

Het doel van dit artikel is om aan te tonen dat je best een boekenwinkel in kunt lopen zonder geld uit te geven. Ik neem de proef op de som bij boekhandel Schimmelpennink in Amsterdam. De keuze heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat mijn roman Dat Rode Spul er een mooi plekje heeft gekregen, niet in het schap, nee, op een vooruitgestoken lessenaartje dat links voorbij de ingang aan de boekenkasten hangt.

Boekenkasten is een van de twee sleutelwoorden die deze prachtige winkel aan de Weteringschans beschrijven. Alle wanden zijn bedekt met houten kasten en schappen, vaak tot aan het plafond, dat zonder overdrijven wel eens vier meter hoog zou kunnen zijn. In een hoek rechts staat een ladder, zo´n authentieke die je in oude films in bibliotheken ziet. Er gaat een sterke aantrekkingskracht vanuit, maar ik durf het toch niet aan om daar zomaar op te klimmen om de boeken in hogere sferen te bekijken. Wel zou ik het kleine, met een eigen inklapbaar trapje van drie treden uitgeruste krukje dat ernaast staat, kunnen bestijgen als het moest.

Portretten, dat is het tweede sleutelwoord. Grote ingelijste zwart-wit foto’s van bekende schrijvers en dichters die naam maakten in de eerste helft van de vorige eeuw, hangen hoog boven mijn hoofd in het midden van de winkel. In de etalage hangt een nog groter portret, dit in olieverf, van Gerard Reve. En ook om de deurposten heen hangen fotoportretten, van kleiner formaat, van internationale grootheden uit de literatuur. Maar wie zijn de mannen daar boven die op mij neerkijken met een blik van, verkoop jij maar eens zoveel boeken dat je mag hangen bij Ton Schimmelpennink. Ik herken er wel een paar, maar de namen willen niet komen. Om hun namen te kunnen lezen begeef ik mij, aanvankelijk wankel maar dan toch met meer zelfvertrouwen, op dat krukje met uitklapbaar trapje als ik zie dat de boekhandelaar even weg is. Helaas blijven ook nu hun namen onleesbaar. Dan maar de heer Schimmelpennink zelf vragen, een statig personage met grijze haardos en vriendelijke ogen boven een leesbril. ‘Kijk’, begint hij op respectvolle toon, ‘dat is de grote Nescio, en rechts van hem de dichter Lucebert. Daar is Bordewijk, grote namen uit de Nederlandse literatuur.’ O, alleen het uitspreken van die namen brengt al verhalen en gedichten voort in mijn geest, maar vooral herinneringen aan de middelbare school, de Dr. Aletta Jacobs Scholengemeenschap in Hoogezand-Sappemeer.

Nu nog even rondkijken naar de boeken en wat merk ik tot mijn schrik? Nooit meer slapen, mijn favoriete roman van W.F. Hermans, is als pocket te koop voor maar acht euro! Het boeiende verhaal over de student geologie Alfred Issendorf die voor een promotieonderzoek door Noorwegen reist op zoek naar gaten. Een boek dat iedere student of promovendus zou moeten lezen voor of tijdens een internationale stage of onderzoeksproject. Om in te zien welke rol ambitie speelt in het wetenschappelijke bedrijf, en niet minder het leren onderkennen van cultuurverschillen. Ik zou hem gewoon nog een keer aanschaffen als ik me niet had voorgenomen om geen geld uit te geven vandaag.

En vlak daarnaast in het zelfde schap wordt mijn aandacht getroffen door de naam die mij altijd interesseert, Franz Kafka. Nee, het zijn niet zijn wonderlijke romans, Het proces, Het slot, Amerika, die elders in de winkel staan. Ook niet zijn vaak lugubere korte verhalen maar zoals er de laatste tijd zo vele zijn, een roman gebaseerd op Kafka’s dagboeken, brieven en werken en op wat we weten van zijn beste vriend en biograaf Max Brod. Zoals de vermakelijke roman Kafka’s vriend van de Kroatische auteur Miro Gravan, uitgebracht door uitgeverij KLIN (Kroatische Literatuur in Nederland), en op deze website als ePub te krijgen.

De roman die ik in mijn hand houd, De heerlijkheid van het leven door Michael Kumpfmüller, vertelt volgens de Frankfurter Algemeine het verhaal over de laatste liefde van Kafka. Kijk, dat is mooi, ik ken Kafka hoofdzakelijk als iemand die schrijft over niet behaalde ambities en mislukte liefdes maar weet slechts vaag iets over Dora Diamant, de  jonge vrouw die hij aan het einde van zijn leven leerde kennen in Berlijn en die hem terug bracht bij zijn Joodse roots. Ze bleven bij elkaar tot aan zijn dood aan tuberculose minder dan een jaar later. Daar zou ik meer over willen lezen, en willen weten of de auteur mijn Franz Kafka ook overeind heeft gelaten.

Ik draai me om, want ik voel dat ik begin te wankelen, mijn experiment loopt gevaar te mislukken. En als ik de volle honderdtachtig graden rond ben val ik definitief, als mijn ogen vallen op wat wel het best bewaarde geheim moet zijn van de Nederlandse literatuur uit 2015. De Halfbroer, het nieuwe boek van Nicolien Mizee! Ze heeft het afgekregen en hier ligt het. Nicolien was mijn docente Roman aan de Schrijversvakschool, hier in Amsterdam. En in die tijd sprak ze erover hoe schokkend het was geweest om te ontdekken dat ze een broer had die ze nooit had gekend, tot recent. En dat ze overwoog erover te gaan schrijven. Een mooie en positieve aanvulling op haar bekendste boek: En toen kwam moeder met een mes. Die titel en de onverbiddelijke rode strepen, vraagtekens en opmerkingen in onze ingeleverde stukken tekst brachten ons als klas ertoe om in het geschenk aan haar bij de afsluiting van de Romancursus gekscherend te schrijven: ‘En toen kwam Nicolien met een rode pen’. Dit wil ik lezen, hier gaat een verhaal verder van lang geleden dat nog wachtte op een, mogelijk happy, ending.

Dit dreigt totaal uit de hand te lopen. Zonder nog links of rechts te kijken ga ik op de kassa af, met De halfbroer in mijn rechter en, in een snelle beweging maar trefzeker gepakt, De heerlijkheid van het leven in mijn linker hand. Ik geef ze beide aan Ton Schimmelpennink en zeg, ‘Reken dit maar af’, haal vervolgens enkele vergeelde envelopjes uit de binnenzak van mijn colbert en vervolg, ‘met deze boekenbonnen.’

Waarmee maar weer bewezen is dat je gerust een boekenwinkel in kan lopen zonder geld uit te geven.